Veel gemaakte fouten in de schrijfopdrachten

1 / 19
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo k, mavo, havo, vwoLeerjaar 3,4

This lesson contains 19 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Schrijfopdracht 1
Eine E-Mail schreiben

Slide 2 - Slide

GOED
Ich komme aus den Niederlanden.
FOUT
Ich komme aus die Niederlande

Slide 3 - Slide

Tijdsaanduidingen 

in september, in januari, in de zomer = maanden & seizoenen

op maandag, op dinsdag
= dagen, dagdelen

om half 5, om 1 uur = tijd


im September, im Januar, im Sommer

am Montag, am Dienstag


um halb 5, um 1 Uhr

Slide 4 - Slide

GOED
Ich bin 14 Jahre alt. 
FOUT
Ich bin 14 jahre alt.

Slide 5 - Slide

GOED
Liebe Grüße

Laura
FOUT
Liebe Grüße Laura

Liebe Grüße,

Laura

Slide 6 - Slide

Hoofdlettergebruik
  • Begin van de zin
  • Namen (personen, regio’s, landen, talen, merken...)
  • Beleefdheidsvorm van persoonlijke voornaamwoorden (Sie-vorm)
  • Zelfstandige naamwoorden (woorden waar een lidwoord – der, die, das – voor kan staan)

Slide 7 - Slide

Gebruik van de voorzetsels nach, zu & in
nach
zu
in
vertaling: naar (of na)
vertaling: naar
vertaling: naar
'nach' gebruik je bij steden en landen (zonder een vast lidwoord)
Ich fahre nach Hamburg. 
Je gebruikt 'zu' als je ergens naartoe gaat. Dat kan de school zijn of de supermarkt. (bij dingen)
Ich fahre zur Schule.
Je gebruikt 'in' bij landen met een lidwoord.
Wir fliegen in die Schweiz.
Wir fliegen in die USA.

Ook gebruik je het als je naar iemand toe gaat, dus bij personen.
Ich gehe zu Sylvia.

Ook gebruik je in bij vaste combinaties
in die Schule / in die Kirche / in die Disko gehen
ins Theater / ins Konzert / ins Museum / ins Bett gehen

Slide 8 - Slide

Gebruik van 'lecker' 
In het Nederlands gebruiken we het woord 'lekker' erg vaak. 
Bijvoorbeeld: Het is lekker weer! Of 'Gelukkig hebben we nu lekker vrij'. 
In het Duits gebruik je 'lecker' allen in combinatie met eten of drinken. 

Slide 9 - Slide

GOED
Wie geht es dir?
Mir geht es gut. 


FOUT
Wie geht es mit dir?
Mit mir geht es gut. 

Slide 10 - Slide

Gebruik van 'wann', 'wenn' & 'als'
wann
wenn
als
vertaling: wanneer (in tijdstippen, hoe laat)
vertaling: wanneer, als, indien
vertaling: toen (drukt een gebeurtenis in het verleden uit)
Wann sehen wir uns wieder?
Wenn die Sonne scheint, ist es wärmer. 
Wenn ich hunger habe, esse ich etwas. 
Als ich in Berlin war, habe ich Currywurst gegessen. 

Slide 11 - Slide

Verschil tussen 'nach Hause' & 'zu Hause'
nach Hause
zu Hause
naar huis
thuis
Ich gehe nach Hause. 
Ich bin zu Hause. 

Slide 12 - Slide

Interpunctie - komma
In het Duits staat tussen een hoofdzin en een bijzin altijd een komma - voor het voegwoord.
Bijvoorbeeld: 
  • Sie blieb zu Hause, weil sie krank ist. 
  • Sie waren arm, aber glücklich. 

Slide 13 - Slide

Interpunctie - komma
Als de zinnen worden verbonden met 'und' of 'oder' staat er geen komma

Bijvoorbeeld: 
  • Bald gibt es Ferien und dann fahren wir nach Mallorca.
  • Gehst du schon schlafen oder liest du noch ein paar Seiten?

Slide 14 - Slide

Interpunctie - komma
Het is gebruikelijk om tussen twee naast elkaar staande persoonsvormen een komma te zetten.

Bijvoorbeeld: 
  • Was sie präsentiert hat, ist sehr interessant. 

Slide 15 - Slide

Interpunctie - komma
Na de aanhef boven een e-mail of een brief volgt een komma.
 
Bijvoorbeeld: 
  • Lieber Jan,
  • Liebe Lisa,

NA DE AFSLUITING VOLGT GEEN KOMMA!!!!

Slide 16 - Slide

Onbepaald voornaamwoord 'man' (aanduiding voor een niet nader bepaald persoon)
Het komt overeen met het Nederlandse men maar ook met je en ze in algemene, onbepaalde betekenis. Het Nederlandse men is nogal stijf: dat is bij het Duitse man niet het geval. 

Bijvoorbeeld:
Dazu bracht man schon eine Menge Geld. - Daarvoor heb je wel een boel geld nodig. 
Gestern hat man schon wieder in unserem Viertel eingebrochen. - Gisteren hebben ze alweer in onze wijk ingebroken. 

Slide 17 - Slide

Gebruik van 'es gibt' 
es gibt betekent er is/er zijn. Na es gibt volgt een Akkusativ. 
Es gibt gebruik je in algemene uitspraken. 

Bijvoorbeeld:
Es gibt viele Sehenswürdigkeiten in dieser Stadt. 
Es gibt leckeres Essen. 

Slide 18 - Slide

GOED
Im Augenblick (= op het moment, momenteel)

Ich arbeite 2 Tage in der Woche. 

In meiner Freizeit spiele ich Fußball
FOUT
Auf Augenblick


Ich arbeite 2 Tage in die Woche.

In meine Freizeit spiele ich Fußball. 

Slide 19 - Slide