Levensloop (5e) H4. het gezin

Week 10 (vanaf 3 maart) 
Hoofdstuk 4. Het gezin
  • terugblik vorige les (gini-coëfficiënt en ratio) 
  • leerdoelen
  • instructie (inkomen en werken of doorleren)
  • quiz (voorraad- en stroomgrootheden)
  • maakwerk: opdracht 4.1 t/m 4.4 (weektaak 4.1 t/m 4.9)
1 / 64
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 64 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Week 10 (vanaf 3 maart) 
Hoofdstuk 4. Het gezin
  • terugblik vorige les (gini-coëfficiënt en ratio) 
  • leerdoelen
  • instructie (inkomen en werken of doorleren)
  • quiz (voorraad- en stroomgrootheden)
  • maakwerk: opdracht 4.1 t/m 4.4 (weektaak 4.1 t/m 4.9)

Slide 1 - Slide

Gini-coëfficiënt



De Gini-coëfficiënt is een getal om de inkomensongelijkheid uit te drukken.

De Gini coëfficiënt kan een waarde hebben van minimaal 0 (iedereen gelijk) en maximaal 1 (één persoon verdient alles). 

Hoe dichter naar 1, hoe ongelijker verdeeld.

GiniCoefficient=oppervlakteA+BoppervlakteA

Slide 2 - Slide

Ratio
Ratio is een maatstaf voor inkomensongelijk-heid.

Een veel gebruikte ratio is 80/20. Dit is de verhouding van de inkomensaandelen van de 20% hoogste en de 20% laagste inkomens.
 
Hoeveel keer meer is het aandeel in het totale inkomen van de rijkste 20% huishoudens t.o.v. van de armste 20% huishoudens

Slide 3 - Slide

Leerdoelen H4. Het gezin
  • Ik kan de eerste 4 begrippen op pagina 69 omschrijven (zie ook LWEO).
  • Ik kan voorbeelden geven van stroomgrootheden en voorraadgrootheden.
  • Ik kan de opofferingskosten bepalen bij de keuze tussen doorleren of meteen werken na het voortgezet onderwijs.


























Slide 4 - Slide

Inkomen over de levensloop

Slide 5 - Slide

Stroom- en voorraadgrootheid
Een grootheid is iets wat je kunt meten.
  • Stroomgrootheid: meet je over een bepaalde periode
       voorbeelden: “Mijn inkomen is 2.000 euro per maand.”
                                    "Er stroomt 6 liter water per minuut uit de kraan."
  • Voorraadgrootheid: meet je op een bepaald moment 
       voorbeelden: "Ik heb 5.000 euro spaargeld.”
                                    "Er zit 100 liter water in de badkuip."

Slide 6 - Slide

Wat is spaarrente?
A
stroomgrootheid
B
voorraadgrootheid

Slide 7 - Quiz

Wat is leenrente?
A
stroomgrootheid
B
voorraadgrootheid

Slide 8 - Quiz

Wat is hypotheekschuld?
A
stroomgrootheid
B
voorraadgrootheid

Slide 9 - Quiz

Wat is mijn salaris?
A
stroomgrootheid
B
voorraadgrootheid

Slide 10 - Quiz

Wat is mijn banksaldo?
A
stroomgrootheid
B
voorraadgrootheid

Slide 11 - Quiz

Wat is uitgaven aan eten?
A
stroomgrootheid
B
voorraadgrootheid

Slide 12 - Quiz

Wat is vermogen?
A
stroomgrootheid
B
voorraadgrootheid

Slide 13 - Quiz

Wat is staatsschuld?
A
stroomgrootheid
B
voorraadgrootheid

Slide 14 - Quiz

Wat zijn de overheidsuitgaven?
A
stroomgrootheid
B
voorraadgrootheid

Slide 15 - Quiz

Vroeg- en laatverdiener
Je kunt de opofferingskosten bepalen
bij de keuze tussen:
  • vroegverdiener: direct werken na de middelbare school of
  • laatverdiener: doorleren

De vroegverdiener heeft direct een inkomen.

De laatverdiener heeft niet direct een inkomen, stelt de consumptie uit en leent eventueel geld voor studie. Maar een hogere opleiding geeft wel toegang tot beter betaalde banen, je investeert in menselijk kapitaal (kennis en vaardigheden). Hierdoor neemt je verdiencapaciteit (het bedrag dat je maximaal kunt verdienen) toe.


Slide 16 - Slide

Kosten uitwonend student

Slide 17 - Slide

Gezin
  • samenwonen?
  • huis kopen of huren?
  • kinderen?, kinderopvang?
  • de gezinsfase geeft vaak een terugval in inkomen door minder werken, meer tijd voor zorg
  • hoe hoger het inkomen, hoe hoger de opofferingskosten van korter werken
  • de overheid draagt financieel bij met de kinderopvangtoeslag en de kinderbijslag

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Maakwerk deze week
  • wat: opdracht 4.1 t/m 4.4
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met opdracht 4.5 t/m 4.9

Slide 20 - Slide

Week 10 (vanaf 3 maart) 
Hoofdstuk 4. Het gezin
  • terugblik vorige les (stroom- en voorraadgrootheid)
  • opdracht 4.3 klassikaal bespreken 
  • leerdoelen
  • instructie (absoluut en comparatief voordeel)
  • maakwerk: opdracht 4.10 t/m 4.15

Slide 21 - Slide

Stroom- en voorraadgrootheid
Een grootheid is iets wat je kunt meten.
  • Stroomgrootheid: meet je over een bepaalde periode
       voorbeelden: “Mijn inkomen is 2.000 euro per maand.”
                                    "Er stroomt 6 liter water per minuut uit de kraan."
  • Voorraadgrootheid: meet je op een bepaald moment 
       voorbeelden: "Ik heb 5.000 euro spaargeld.”
                                    "Er zit 100 liter water in de badkuip."

Slide 22 - Slide

Opdracht 4.3

Slide 23 - Slide

Opdracht 4.3

Slide 24 - Slide

Leerdoelen H4. Het gezin
  • Ik kan de eerste 6 begrippen op pagina 69 omschrijven (zie ook LWEO).
  • Ik kan voorbeelden geven van stroomgrootheden en voorraadgrootheden.
  • Ik kan de opofferingskosten bepalen bij de keuze tussen doorleren of meteen werken na het voortgezet onderwijs.
  • ik kan de opofferingskosten bepalen bij de verdeling van taken in een huishouden.
  • Ik kan verklaren welke rol comparatieve en absolute voordelen kunnen spelen bij een taakverdeling en hiermee berekeningen uitvoeren.



























Slide 25 - Slide

Absoluut en comparatief voordeel
Als iedereen zich bezighoudt met de taken waar hij of zij het beste (snelste) in is, dan is de totale tijd die aan het huishouden wordt besteed het kleinst.
  

Wat als één iemand in alle taken beter is dan de ander?
  • absoluut voordeel: je bent sneller (voordeel in uren)
  • comparatief voordeel: je hebt een comparatief voordeel bij de taak waar je in vergelijking met een ander het minst slecht in bent of in verhouding met de ander de grootste voorsprong hebt


Slide 26 - Slide

Voordeel
Fatima heeft bij koken en schoonmaken een absoluut voordeel. Roy heeft een comparatief voordeel bij koken: daar is hij in vergelijking met de ander het minst slecht in.
  • Roy doet 9/6 = 1½ x zo lang over koken
  • Roy doet 27/12 = 2¼ x zo lang over schoonmaken.

Fatima heeft een comparatief voordeel bij schoonmaken: daar heeft zij in vergelijking met de ander de grootste voorsprong.

Slide 27 - Slide

Opoffering
Hoeveel uur moet iemand van de ene taak opofferen om de andere taak te kunnen uitvoeren? Comparatief voordeel bij de taak met de laagste opofferingskosten!



Opofferingskosten
Fatima
Roy
koken (uitgedrukt in schoonmaaktijd)
½
1⁄3
schoonmaken (uit-gedrukt in kooktijd)
2
3

Slide 28 - Slide

Wie gaat wat maken?
timer
3:00

Slide 29 - Slide

Wie gaat wat maken?

Slide 30 - Slide

Oefening
Wat zijn de opofferingskosten?
  • Nederland offert 2 badeentjes op voor tomaten
  • China offert 4 badeentjes op voor tomaten
  • Nederland offert ½ tomaten op voor badeentjes
  • China offert ¼ tomaten op voor badeentjes

Wie gaat wat maken?
  • Nederland gaat tomaten maken
  • China gaat badeentjes maken
timer
3:00

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Slide

Maakwerk deze week
  • wat: opdracht 4.12
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met opdracht 4.10 t/m 4.15 (weektaak)

Slide 33 - Slide

Week 11 (vanaf 10 maart) 
Hoofdstuk 4. Het gezin
  • terugblik vorige les (absoluut en comparatief voordeel)
  • opdracht 4.12 klassikaal bespreken 
  • leerdoelen
  • instructie (huis huren of kopen)
  • maakwerk: opdracht 4.16 en 4.17

Slide 34 - Slide

Wie gaat wat maken?
timer
3:00

Slide 35 - Slide

Wie gaat wat maken?

Slide 36 - Slide

Opdracht 4.12
Opofferingskosten
Pim
Martijn
schoonmaken (uit-gedrukt in tuin onderhoudtijd)
2
6
tuin onderhouden (uitgedrukt in schoonmaaktijd)
½
1⁄6

Slide 37 - Slide

Leerdoelen H4. Het gezin
  • Ik kan de 10 begrippen op pagina 69 omschrijven (zie ook LWEO).
  • Ik kan voorbeelden geven van stroomgrootheden en voorraadgrootheden.
  • Ik kan de opofferingskosten bepalen bij de keuze tussen doorleren of meteen werken na het voortgezet onderwijs.
  • ik kan de opofferingskosten bepalen bij de verdeling van taken in een huishouden.
  • Ik kan verklaren welke rol comparatieve en absolute voordelen kunnen spelen bij een taakverdeling en hiermee berekeningen uitvoeren.
  • Ik kan de afweging tussen koop en huur analyseren.



























Slide 38 - Slide

Koophuis of huurhuis
Opdracht: bedenk / zoek op internet:
  1. wat zijn voordelen/nadelen van huren/kopen?
  2. wat komt er allemaal bij kijken als je een huis gaat huren?
  3. wat komt er allemaal bij kijken als je een huis gaat kopen?
  4. wat is de gemiddelde prijs van een koopwoning?
timer
5:00

Slide 39 - Slide

Slide 40 - Slide

Huren (financieel)
  • geen risico van waardedaling woning (+)
  • geen risico van stijging hypotheekrente (+)
  • huurtoeslag mogelijk bij laag inkomen (+)
  • huurstijging (wel gemaximeerd) (-)
  • huur is niet aftrekbaar van de inkomstenbelasting (-)

Kopen (financieel)
  • hypotheekrente is aftrekbaar van de inkomstenbelasting (+)
  • aflossen op de hypotheek is een manier om te sparen (+)
  • hypotheekrente fluctueert (+/-)
  • hogere kosten voor onderhoud en verzekering woning (-)
  • betalen OZB (OnroerendZaakBelasting) (-)
  • eigenwoningforfait (verhoogd belastbaar inkomen) (-)
  • hoge transactiekosten (makelaar, notaris, kadaster, hypotheekakte, bouwkundige keuring) (-)

Slide 41 - Slide

Slide 42 - Slide

Slide 43 - Slide

Slide 44 - Slide

Slide 45 - Slide

Slide 46 - Slide

Slide 47 - Slide

Maakwerk deze week
  • wat: opdracht 4.16 en 4.17
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met opdracht 4.18 t/m 4.20 (weektaak)

Slide 48 - Slide

Week 11 (vanaf 10 maart) 
Hoofdstuk 4. Het gezin
  • terugblik vorige les (huis huren of kopen)
  • leerdoelen
  • instructie (hypotheek)
  • filmpje van Arjen Lubach
  • maakwerk: opdracht 4.18 t/m 4.20

Slide 49 - Slide

Slide 50 - Slide

Leerdoelen H4. Het gezin
  • Ik kan de 10 begrippen op pagina 69 omschrijven (zie ook LWEO).
  • Ik kan voorbeelden geven van stroomgrootheden en voorraadgrootheden.
  • Ik kan de opofferingskosten bepalen bij de keuze tussen doorleren of meteen werken na het voortgezet onderwijs.
  • ik kan de opofferingskosten bepalen bij de verdeling van taken in een huishouden.
  • Ik kan verklaren welke rol comparatieve en absolute voordelen kunnen spelen bij een taakverdeling en hiermee berekeningen uitvoeren.
  • Ik kan de afweging tussen koop en huur analyseren.
  • Ik kan uitleggen dat een onderpand het risico voor de kredietgever verkleint.



























Slide 51 - Slide

Hypotheekrente
  • wat: zoek op internet:
       - hoe hoog is de actuele hypotheekrente?
       - van welke 2 factoren is de hypotheekrente afhankelijk?
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: 3 minuten
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: welke hypotheek (aanbieder) zou jij kiezen?
timer
3:00

Slide 52 - Slide

Slide 53 - Slide

Slide 54 - Slide

Hypotheek
Een hypothecaire lening is een (langlopende) lening bij een bank met onroerend goed (huis of grond) als onderpand.
  • hypotheekgever is de koper van het huis en geeft het hypotheekrecht aan de bank
  • hypotheeknemer is de bank en neemt het hypotheekrecht, de bank mag het huis verkopen als de koper niet voldoet aan de rente en aflossingsverplichtingen)
  • het onroerend goed is het onderpand (minder risico voor de bank)



Slide 55 - Slide

Slide 56 - Slide

Hypotheek (lineair)
Bij een lineaire hypotheek is de aflossing elke maand hetzelfde. Het aandeel rente wordt steeds lager aangezien de schuld afneemt.

Slide 57 - Slide

Hypotheek (annuïteiten)
Bij een annuïteiten hypotheek is de annuïteit (aflossing + rente) elke maand hetzelfde. In het begin is het aandeel rente groot en het aandeel aflossing klein en aan het eind is het aandeel rente juist klein en de aflossing
groot (de schuld neemt steeds
sneller af).

Slide 58 - Slide

Slide 59 - Slide

Slide 60 - Video

Maakwerk deze week
  • wat: opdracht 4.18 t/m 4.20
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met opdracht 4.21 t/m 4.22 (weektaak)

Slide 61 - Slide

Opdracht 4.18 en 4.19

Slide 62 - Slide

Opdracht 4.20

Slide 63 - Slide

Opdracht 4.21

Slide 64 - Slide