Havo 3 les 16 periode 2 Grammatica 1 + planning

La langue française
Aujourd'hui:
- Planning toetsen
- Oefenen grammatica
-> Werkwoord mettre (Bron G)
-> Bijvoeglijk naamwoord (herhaling)


1 / 20
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

La langue française
Aujourd'hui:
- Planning toetsen
- Oefenen grammatica
-> Werkwoord mettre (Bron G)
-> Bijvoeglijk naamwoord (herhaling)


Slide 1 - Slide

Onregelmatig werkwoord Mettre
BLZ 61 TB
Mettre = zetten/leggen/erover doen/bedekken/aantrekken (kleding)
Présent (tegenwoordige tijd):
Je mets -> ik zet
Tu mets  -> jij zet
il/elle/on met -> hij/zij/men zet
nous mettons -> wij zetten
vous mettez - jullie zetten / u zet
ils/elles mettent -> zij zetten

Slide 2 - Slide

Passé Composé
= verleden tijd die is afgesloten, korte gebeurtenis
(j'ai mis le sel sur la table)
Bestaat altijd uit 2 woorden
Hulpwerkwoord (avoir/être)
Voltooid deelwoord

BLZ 61 TB

Slide 3 - Slide

Vertaal naar het Frans:
Jij hebt gezet (gebruik mettre)

Slide 4 - Open question

Imparfait
= gewoonte van vroeger, langere periode vroeger
(quand je mettais une costume tous les jours...)
Je gebruikt de nous-vorm van het werkwoord.
Je haalt -ons er vanaf, je houdt over de stam.
Je plakt de uitgang er achter (ais, ais, ait, ions, iez, aient)
BLZ 61 TB

Slide 5 - Slide

Vertaal naar het Frans:
Zij zette (gebruik mettre)

Slide 6 - Open question

Futur Simple
= toekomende tijd, "zullen" in het Nederlands
(On mettra le couvercle sur la confiture)
Je neemt het hele werkwoord + uitgang van avoir
!!! Mettre is een uitzondering.
Eindigt op e.
E valt weg. 
Bij alle werkwoorden op -re (comprendre, descendre, montre)

Slide 7 - Slide

Vertaal naar het Frans:
Wij zullen zetten (gebruik mettre blz 61 TB)

Slide 8 - Open question

Grammatica deze les
> Werkwoord mettre (Bron G)
-> Bijvoeglijk naamwoord (herhaling)

Slide 9 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord en français (BLZ 124 TB)
La ville Rotterdam est très vieille
Rotterdam est une vieille ville

De Vorm:

Mannelijk
Vrouwelijk
Enkelvoud
il est petit
Elle est petite
Meervoud
ils sont petits
Elles sont petites

Slide 10 - Slide

Kies de vrouwelijke vorm enkelvoud van ''Bon'' (goed, lekker)
A
La confiture est bone
B
La confiture est bonne

Slide 11 - Quiz

Kies, de vrouwelijke vorm enkelvoud van heureux (gelukkig)
A
Sara est heureuse
B
Sara est heureuxe

Slide 12 - Quiz

Kies: de vrouwelijke vorm enkelvoud van effectif (effectief, succesvol)
A
L'activité sera effectife
B
L'activité sera effective

Slide 13 - Quiz

Kies, de vrouwelijke vorm enkelvoud van dernier (laatste)
A
Elle sera dernière
B
Elle sera derniere

Slide 14 - Quiz

Onregelmatige bijvoeglijke naamwoorden
Beau -> Belle (mooi)
Nouveau -> Nouvelle (nieuw)
Vieux -> Vieille (oud)
Gros -> Grosse (dik)
Blanc -> Blanche (wit)
Long -> Longue (lang)

Slide 15 - Slide

De plaats in de zin
Le fille sportive
L'exercice dur (moeilijk, zwaar)
= Plaats is achter het zelfstandige naamwoord.
Behalve bij de volgende bijvoeglijke naamwoorden:
Jeune (jong), joli (knap), beau, grand, long, nouveau, vieux, petit, gros, bon, mauvais (slecht), haut (hoog) + rangtelwoorden (premier, deuxième)
Die komen voor het zelfstandige naamwoord:
Le haut bâtiment 
Les petites filles

Slide 16 - Slide

Vul het bijvoeglijk naamwoord inconnu (onbekend) op de juiste plek in de zin in:
L'acteur essaie de devenir célèbre.
Neem de hele zin over

Slide 17 - Open question

Vul het bijvoeglijke naamwoord ''jeunes'' (jong) in de zin op de juiste plaats in:
Les filles feront du shopping
Neem de hele zin over

Slide 18 - Open question

Volgende les:
Maken van Le bilan (WB B BLZ 43, 44) 
Exercice 3 Grammaire
A, B, C
- Bericht over Kijk/luistertoets lezen

Slide 19 - Slide

Planning toetsen
- 14 februari = Inleveren interview (zie Magister ELO)
- 15 februari = kijk/luistertoets (zie BERICHT MAGISTER)
- 3 maart = grammaticatoets (na voorjaarsvakantie)
- 8 maart = lees/luistertoets (na voorjaarsvakantie)

Slide 20 - Slide