0609 T2 grammatica opstart

Grammatica - Blok 1
Zinsdelen

Klas 3 T
1 / 20
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3

This lesson contains 20 slides, with interactive quiz, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Grammatica - Blok 1
Zinsdelen

Klas 3 T

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
o Ik kan uitleggen hoe ik de persoonsvorm in een zin kan vinden 
o Ik kan uitleggen hoe ik het onderwerp in een zin kan vinden. 
o Ik kan uitleggen hoe ik het lijdend voorwerp in een zin kan vinden. 
o Ik kan uitleggen hoe ik het meewerkend voorwerp in een zin kan vinden. 
o Ik kan de persoonsvorm, het werkwoordelijk gezegde, het onderwerp het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerpbenoemen in een zin.

Slide 2 - Slide

Redekundig ontleden

Slide 3 - Slide

Wat weet je nog
van zinsdelen?

Slide 4 - Mind map

Persoonsvorm
  • De persoonsvorm is altijd een werkwoord. 
  • Een werkwoord geeft aan wat er wordt gedaan. 
  • Bijvoorbeeld: lopen, fietsen of lezen.

Slide 5 - Slide

Persoonsvorm
Er zijn drie manieren waarop je de persoonsvorm kunt vinden in een zin.

  • De zin vragend maken.
  • De zin in een andere tijd zetten.
  • Het veranderen van het getal van de zin.

Slide 6 - Slide

Voorbeelden
  • Pietje gaat naar de gymles.
  • Pietje ging naar de gymles.

  • Pietje loopt naar de Jumbo.
  • Pietje liep naar de Jumbo.

  • Wie heeft er honger? 
  • Wie had er honger. 


Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Video

Werkwoordelijk gezegde
Alle werkwoordsvormen van een zin. 

Bijvoorbeeld:

Pietje heeft de trein gemist
Pietje heeft een broodje gekocht

Slide 10 - Slide

Onderwerp
  • Je kunt het onderwerp in de zin vinden door eerst de persoonsvorm te vinden in de zin en daarna het werkwoordelijk gezegde.
  • Als je de persoonsvorm gevonden hebt in de zin kun je de volgende vraag stellen:
  • Wie/wat + gezegde?

Slide 11 - Slide

Onderwerp
Pietje geeft een presentatie
Geeft Pietje een presentatie? 

Stel de vraag: wie of wat + persoonsvorm. 


Wie geeft een presentatie?

Onderwerp: Pietje

Slide 12 - Slide

Lijdend voorwerp
Het antwoord op de vraag:

wie of wat + gezegde + onderwerp?

Slide 13 - Slide

Voorbeeld lijdend voorwerp
Pietje is zijn sleutels verloren. 
Wat is Pietje verloren? Zijn sleutels

Pietje heeft een sleutel gevonden.
Wat heeft Pietje gevonden? Een sleutel


Slide 14 - Slide

Voorbeeld lijdend voorwerp
Pietje is zijn sleutels verloren. 
Wat is Pietje verloren? Zijn sleutels

Pietje heeft een sleutel gevonden.
Wat heeft Pietje gevonden? Een sleutel


Slide 15 - Slide

Slide 16 - Video

Meewerkend voorwerp
Het antwoord op de vraag:


aan/voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Video

Voorbeeld meewerkend voorwerp

De docent geeft een blaadje aan de leerling.
Aan wie geeft de docent een blaadje? Aan de leerling

Maar niet:
Ik hang mijn jas aan de kapstok.
Aan wie hang ik mijn jas? Geen meewerkend voorwerp!


Slide 19 - Slide

Huiswerk
T2B: vrijdag 8 september 1e uur

Blok 1: grammatica opdracht 1 tm 3 (vanaf bladzijde 18)

Slide 20 - Slide