BINDING · SOCIALE COHESIE
Sociale cohesie en groepen
Examenstof maatschappijwetenschappen vwo
BINDING · SOCIALE COHESIE
Sociale cohesie en groepen
Examenstof maatschappijwetenschappen vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: D1 (14.1-14.5). Image credit: Fotopersbureau de Boer, Noord-Hollands Archief / Wikimedia Commons, CC0
BINDING · SOCIALE COHESIE
Wat ga je kunnen?
Ik kan typen bindingen, groepsvorming, sociale cohesie en sociale instituties toepassen in een casus en indicatoren van cohesie vanuit verschillende paradigma's onderscheiden.
This item has no instructions
Wat houdt een samenleving bij elkaar?
Verwachte woorden: familie, vrienden, regels, geld, taal, school, politie, wij-gevoel, vertrouwen, belasting, buurt. Groepeer ze op het bord: afhankelijkheid (geld, macht, kennis, gevoel), groepen, regels en instituties. Dat zijn de drie blokken. Hoofdconcept binding, kernconcepten sociale cohesie, groepsvorming en sociale institutie (syllabus D1).
Een familie aan tafel, circa 1920
BINDING · SOCIALE COHESIE
Vier typen bindingen
Mensen zijn fundamenteel van elkaar afhankelijk, ook bij individualisering. Wederzijdse afhankelijkheid creëert bindingen.
Economisch: schaarse goederen zoals eten of een dak, en het geld om ze te verwerven.
Politiek: politieke macht en collectieve regelingen, soms met dwang zoals belasting.
Cognitief: kennis, vaardigheden, symbolen, tradities en gedragsregels. Affectief: liefde, steun en erbij willen horen.
Syllabus 14.1: vier ideaaltypische vormen van sociale bindingen. Economisch: productie en distributie van schaarse goederen en het geld daarvoor. Politiek: politieke macht en het collectief regelen van zaken, ook dwang (belasting betalen, parkeerboetes accepteren, regelingen rond uitkeringen). Cognitief: kennisvorming en kennisoverdracht, ook symbolen, tradities, gedragsregels en ideologische denkbeelden. Affectief: positieve en negatieve gevoelens, liefde en steun, ook bij een groep willen behoren. Veelgemaakte fout: binding gelijkstellen aan gevoel. Een gezin kent meestal alle vier de bindingen tegelijk; kies in een casus het type dat het best bij de beschrijving past. Vraag bij de foto: waarvan zijn de mensen aan tafel van elkaar afhankelijk? Image credit: Hans Bernhard Schwerin / Wikimedia Commons, publiek domein
BINDING · SOCIALE COHESIE
Cohesie bezien vanuit paradigma's
Functionalisme: verbondenheid en betrokkenheid zijn functies die bijdragen aan het voortbestaan van de samenleving. Wat bindt mensen en wat zijn indicatoren van cohesie?
Conflictparadigma: de geringe mate of afwezigheid van cohesie tussen groepen staat centraal, bijvoorbeeld bij conflicten tussen etnische groepen.
Groepsvorming bepaalt wie wel en wie niet erbij hoort. Dat kan leiden tot sociale uitsluiting en conflict.
Syllabus 14.2. Functionalisme: onderlinge verbondenheid als functie voor het voortbestaan van de samenleving; vragen als: wat bindt mensen, wat zijn indicatoren van cohesie, hoe ontstaat cohesie en hoe wordt ze sterker of zwakker, wat kunnen politiek en beleid doen? Vanaf Durkheim is cohesie een onderdeel van het vraagstuk van de sociale orde. Conflictparadigma: de geringe mate of afwezigheid van cohesie tussen groepen; latente en manifeste conflicten geven inzicht in afwezige cohesie; onderzoek naar integratie van minderheden en conflicten tussen etnische groepen waarbij culturele aspecten van de ene groep op gespannen voet kunnen staan met waarden, normen en belangen van de andere. Behandel dit neutraal en zonder oordeel over groepen. Veelgemaakte fout: denken dat het conflictparadigma cohesie niet onderzoekt; het onderzoekt juist de afwezigheid ervan.
BINDING · SOCIALE COHESIE
Subjectief, meervoudig en ruilrelatie
Sociaalconstructivisme: hoe wordt samenhang waargenomen, ervaren en gewaardeerd? Kijk naar subjectieve opvattingen en gevoelens, niet alleen naar harde indicatoren.
Nadruk op identiteit en identificatie. Meervoudige identiteit: dynamische, wisselende identificatie met verschillende groepen.
Rationele actor-paradigma: bindingen zijn ruilrelaties. Mensen gaan en houden ze in stand zolang ze er voordeel aan hebben.
Syllabus 14.2. Sociaalconstructivisme: het handelen van personen ten opzichte van elkaar; voor goed inzicht in sociale en politieke cohesie zijn naast harde, objectieve indicatoren ook subjectieve opvattingen en gevoelens van actoren nodig. Meervoudige identiteit (multiple identity): dynamische, meervoudige en wisselende identificatie met verschillende groepen of personen. Rationele actor-paradigma: aandacht voor actoren die bindingen aangaan en continueren voor zover zij er elk voordelen aan ontlenen; bindingen zijn ruilrelaties waarin beloningen worden uitgewisseld. Voorbeeld van een objectieve indicator is het percentage mensen dat vrijwilligerswerk doet, van een subjectieve het gevoel van saamhorigheid in de buurt (eigen voorbeelden). Veelgemaakte fout: subjectieve indicatoren als onbetrouwbaar wegzetten; binnen dit paradigma zijn ze juist essentieel.
Vul in
Sociale bindingen worden in vier ideaaltypische vormen beschreven. Bij een economische binding gaat het om schaarse goederen en het geld om ze te verwerven.
Syllabus 14.1. Verwachte fout: cognitieve invullen, omdat leerlingen kennis met goederen verwarren.
Een onderzoeker vraagt bewoners hoe zij de samenhang in hun wijk ervaren en waarderen. Welk paradigma past?
Het functionalisme
Het conflictparadigma
Het rationele actor-paradigma
Het sociaalconstructivisme
Syllabus 14.2: hoe samenhang wordt waargenomen, ervaren en gewaardeerd is de kernvraag van het sociaalconstructivisme. Verwachte fout: functionalisme, omdat het over cohesie gaat; dat paradigma richt zich op de functie voor het voortbestaan van de samenleving.
Straatfeest met barbecue in de Sparenbergstraat, 1989
BINDING · SOCIALE COHESIE
Groepsvorming en sociale categorie
Groepsvorming: bindingen tussen meer dan twee mensen die elkaar beïnvloeden en gemeenschappelijke waarden en normen ontwikkelen.
Gedeelde ervaringen, interesses, belangen, verwachtingen en loyaliteit geven het wij-gevoel.
Een sociale categorie deelt alleen een kenmerk, zoals senioren of fietsers, zonder interactie of gedeelde normen.
Groepsvorming betekent insluiting en uitsluiting: wie hoort er wel en wie niet bij?
Syllabus 14.3: groepsvorming volgens De Jager, Mok en Berkers. In het dagelijks taalgebruik worden groepen vaak gelijkgesteld aan sociale categorieën, in de sociale wetenschappen niet. Een sociale categorie is een aanduiding voor mensen met dezelfde achtergrondvariabelen (senioren, fietsers) of culturele variabelen (geloofsgezindten, politieke opinies) die interactie noch gedeelde waarden en normen kennen. Groepen kunnen uit meerdere sociale categorieën bestaan. Veelgemaakte fout: een sociale categorie een groep noemen. Vraag bij de foto: wat maakt van deze buurtbewoners een groep en niet slechts een categorie? Image credit: Fotopersbureau de Boer, Noord-Hollands Archief / Wikimedia Commons, CC0
Feyenoord-supporters op het Hofplein in Rotterdam, 2017
BINDING · SOCIALE COHESIE
Soorten groepen
Formeel: vaste doelen, normen, regels en rollen, zoals een team op het werk. Informeel: geen vaste doelen en regels, flexibele rollen, zoals vrienden.
Primair: persoonlijke en emotionele band, steun en loyaliteit. Secundair: doelgericht, onpersoonlijk en functioneel.
Ingroup: de groep die jou binding en identiteit geeft. Outgroup: de groep waar je afwijzend of competitief tegenover staat.
Leden van de ingroup hebben vaak, niet per se terecht, een positiever beeld van zichzelf en een negatiever beeld van de outgroup.
Syllabus 14.3. Formele en informele groepen, primaire en secundaire groepen (primair van belang bij socialisatie op micro- en mesoniveau; secundair bij socialisatie op macroniveau en sociale controle) en, vanuit de positie van de actor, ingroup en outgroup. Onderzoek toont aan dat sociaal en politiek leven voor een groot deel draait om de wisselwerking tussen ingroup en outgroup. Veelgemaakte fout: formeel en secundair door elkaar halen. Vraag bij de foto: welke ingroup en outgroup herken je, en welk beeld hebben de leden van elkaar? Image credit: Wouter Engler / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
BINDING · SOCIALE COHESIE
Fasen, erbij horen en politieke groepen
Vijf fasen in nieuwe groepen, niet altijd in deze volgorde: oriëntatie (onzekerheid), conflict (verschillen in opvattingen duidelijk).
Integratie: evenwicht en gedeelde normen. Uitvoering: ongestoorde samenwerking. Orde: samenwerking vastleggen in regels, dus institutionalisering.
Niet meer erbij horen: je wilt niet (dropping out, opting out), je mag niet (uitsluiting, discriminatie) of je kunt niet (armoede, werkloosheid).
Politieke groepen (partijen, burgerinitiatieven) zijn vaak eerst informeel en worden daarna formeler.
Syllabus 14.3, vijf fasen in de ontwikkeling van nieuwe groepen volgens Tuckman: oriëntatiefase (onzekerheid over omgang), conflictfase (verschillen in opvattingen, vaak over hoe taakgericht of sociaal-emotioneel men wil samenwerken), integratiefase (zeker evenwicht, gedeelde normen, naar elkaar luisteren), uitvoeringsfase (samenwerking verloopt ongestoord) en ordefase (samenwerken aan regels binden: institutionalisering). Erbij horen: willen (dropping out, opting out), mogen (uitsluiting, discriminatie), kunnen (armoede, werkloosheid). Politieke groepsvorming ontstaat door gedeelde belangen en meningen. Veelgemaakte fout: armoede als vrije keuze zien; bij kunnen ontbreken de middelen.
Zet de groepsfasen op volgorde.
Syllabus 14.3: volgorde zoals in de syllabus, al verloopt die in de praktijk niet altijd zo. Verwachte fout: uitvoering voor integratie zetten.
Alle senioren in Nederland delen een kenmerk maar hebben geen onderlinge interactie. Wat zijn zij?
Een primaire groep
Een sociale categorie
Een formele groep
Een ingroup
Syllabus 14.3: mensen met dezelfde achtergrondvariabele zonder interactie of gedeelde normen vormen een sociale categorie. Verwachte fout: primaire groep, omdat leerlingen de leeftijdsband als binding zien.
BINDING · SOCIALE COHESIE
Sociale cohesie
Sociale cohesie: aantal en kwaliteit van bindingen in een ruimer sociaal kader, het gevoel een groep of gemeenschap te zijn en de verantwoordelijkheid voor elkaars welzijn.
Bevorderend: wederzijdse afhankelijkheid, eigenbelang, dwang of macht, gedeelde normen en waarden of saamhorigheidsbesef.
Sterke cohesie binnen groepen kan conflicten tussen groepen geven en zo de cohesie in groter verband verzwakken.
Zwakke cohesie binnen groepen kan de cohesie tussen groepen en in het grotere verband versterken.
Syllabus 14.4. Definitie: het aantal en de kwaliteit van de bindingen die mensen in een ruimer sociaal kader met elkaar hebben, het gevoel een groep te zijn, lid te zijn van een gemeenschap, de mate van verantwoordelijkheid voor elkaars welzijn, en de mate waarin anderen daar ook een beroep op kunnen doen. Vier factoren die cohesie bevorderen en als strategie kunnen worden ingezet: wederzijdse afhankelijkheid, eigenbelang, dwang of macht, gedeelde normen en waarden en saamhorigheidsbesef. Sterke cohesie binnen bepaalde groepen kan tot conflicten tussen groepen leiden en de cohesie in groter verband verzwakken; omgekeerd kan zwakke cohesie binnen groepen leiden tot sterkere cohesie tussen groepen. Veelgemaakte fout: denken dat veel cohesie altijd goed is voor de hele samenleving. Houd niveau in de gaten: groep (meso) of samenleving (macro).
BINDING · SOCIALE COHESIE
Solidariteit volgens Durkheim
Een samenleving blijft bijeen door socialisatie en acculturatie: mensen internaliseren waarden en normen.
Lukt dat niet, dan is er sociale controle: mensen sporen elkaar via sancties aan zich aan waarden en normen te houden.
Traditioneel: mechanische solidariteit, morele gemeenschap, ieder dezelfde taak, nadruk op conformisme, afwijken wordt negatief gesanctioneerd.
Modern: organische solidariteit, vergaande arbeidsdeling, meer ruimte voor individualiteit, productie gericht op de markt.
Syllabus 14.4: een samenleving houdt bijeen door socialisatie en acculturatie en, als waarden en normen niet geïnternaliseerd zijn, door sociale controle. Durkheim vergeleek een traditionele en een moderne samenleving naar vorm van solidariteit en arbeidsdeling. Mechanisch: morele gemeenschap, ieder in feite dezelfde taak, gevestigde gewoontes, productie voor eigen gebruik, taboe op vernieuwing, nadruk op conformisme. Organisch: vergaande arbeidsverdeling en taakdifferentiatie die individualiteit vraagt; het collectieve bewustzijn domineert niet meer; meer zelfbepaling, vrijheid en verscheidenheid; productie sterker gericht op de markt. Veelgemaakte fout: denken dat organische solidariteit minder cohesie betekent. Het is een andere vorm, gebaseerd op onderlinge afhankelijkheid door arbeidsdeling.
BINDING · SOCIALE COHESIE
Politieke cohesie
Politieke cohesie: binding met de staat waarin je woont en met de natie waartoe je behoort, via geschiedenis, taal, cultuur en symbolen.
Ook de binding van lidstaten en burgers met de EU hoort erbij. Politieke bindingen internationaliseren.
Schuyt onderscheidt drie probleemgebieden: politieke betrokkenheid (binding met de politiek zou zijn verminderd).
Bestuurlijke schaalvergroting: samenwerking aan de top, achterban raakt los. Gemankeerde communicatie: bestuurders spreken een eigen taal.
Syllabus 14.4. Politieke cohesie: binding met de staat waarin men woont en met de natie waartoe men behoort (gedeelde geschiedenis, gemeenschappelijke taal, gezamenlijke cultuur en symbolen), ook de binding van lidstaten en burgers met bijvoorbeeld de EU. Belangrijke veranderingsprocessen: internationalisering van politieke bindingen en de invloed daarvan op de binding van de burger met de nationale staat, en veranderingen in macht en autonomie van staten. Schuyt: (1) politieke betrokkenheid, of de binding aan de politiek werkelijk is verminderd en op welke terreinen; (2) bestuurlijke schaalvergroting: politie, veiligheid, gezondheid en infrastructuur gaan de gemeentelijke schaal te boven, met het gevaar dat burgers afhaken; (3) gemankeerde communicatie: bestuurders en politici spreken een eigen taal die burgers niet verstaan. Natievorming en staatsvorming komen in een andere les aan bod. Veelgemaakte fout: politieke cohesie gelijkstellen aan stemgedrag.
Huwelijk van Nettie Coppens en Marco de Vries, 1953
BINDING · SOCIALE COHESIE
Sociale instituties
Sociale institutie: een complex van min of meer geformaliseerde regels die gedrag en onderlinge relaties reguleren.
Een terugkerend collectief patroon dat gedrag betekenis, voorspelbaarheid en stabiliteit geeft: familie, rechtssysteem, huwelijk, taal.
Kenmerken: bestaat buiten het individu om, vaak lange traditie, vrij stabiel maar veranderlijk, moreel gezag, dwingend.
Instituties dragen normen en waarden over en versterken de sociale cohesie.
Syllabus 14.5: een sociale institutie is een complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties reguleren; het geeft het handelen een vaste betekenis, voorspelbaarheid en stabiliteit. Voorbeelden: familie, rechtssysteem, huwelijk en taal. Vijf kenmerken: buiten het individu om (een enkel persoon kan een institutie niet afschaffen); vaak een lange traditie; vrij stabiel maar veranderlijk als omstandigheden veranderen; niet alleen op wettelijke macht maar vaak op moreel gezag; dwingend, want gedrag wordt gesanctioneerd (beloond of bestraft). Het woord institutie wordt in het dagelijks taalgebruik ook voor organisaties gebruikt; hier gaat het om het complex van regels. Veelgemaakte fout: een institutie opvatten als gebouw of organisatie. Politieke instituties komen in een andere les aan bod. Vraag bij de foto: welke regels en rituelen horen bij het huwelijk? Image credit: Marco de Vries / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Een modern bedrijf kent een vergaande arbeidsdeling en veel verschillende functies. Welke solidariteit hoort daarbij?
Mechanische solidariteit
Informele sociale controle
Organische solidariteit
Gemankeerde communicatie
Syllabus 14.4: vergaande arbeidsdeling en taakdifferentiatie horen bij organische solidariteit. Verwachte fout: mechanische solidariteit, omdat een bedrijf een hechte groep lijkt.
Waarom noemen sociaalwetenschappers taal een sociale institutie?
Het is een collectief patroon dat gedrag voorspelbaar maakt
Het is een organisatie met een gebouw en een bestuur
Het is een groep mensen met een sterk wij-gevoel
Het is een wet die de overheid heeft vastgesteld
Syllabus 14.5: taal geeft vaste regels en voorspelbaarheid en bestaat buiten het individu om. Verwachte fout: organisatie kiezen vanuit het dagelijks taalgebruik van instituut.
Wat vond je vandaag het lastigst?
De paradigma's op cohesie
Groepsvorming en soorten groepen
Durkheim en politieke cohesie
Sociale instituties
Gebruik de uitslag om les 2 te starten bij het onderdeel met de meeste stemmen.
Noem een groep van jou en één binding.
Goed antwoord: groep plus type binding met bewijs, bijvoorbeeld: mijn hockeyteam, affectief, want we steunen elkaar. Verwachte fout: alleen een groep noemen of een sociale categorie als groep opvoeren.
BINDING · SOCIALE COHESIE
Begrippen (1/2)
economische en politieke binding: afhankelijkheid via schaarse goederen en geld, of via politieke macht en collectieve regelingen
cognitieve en affectieve binding: afhankelijkheid via kennisoverdracht, of via gevoelens, liefde, steun en erbij willen horen
meervoudige identiteit: dynamische, wisselende identificatie met verschillende groepen of personen
groepsvorming: bindingen tussen meer dan twee mensen met gemeenschappelijke waarden en normen
sociale categorie: mensen met dezelfde kenmerken, maar zonder interactie of gedeelde normen
This item has no instructions
BINDING · SOCIALE COHESIE
Begrippen (2/2)
ingroup en outgroup: groep die jou binding en identiteit geeft, en groep waar je afwijzend tegenover staat
sociale cohesie: aantal en kwaliteit van bindingen, groepsgevoel en verantwoordelijkheid voor elkaar
mechanische en organische solidariteit: binding door gelijkvormigheid, of door arbeidsdeling en onderlinge afhankelijkheid
politieke cohesie: binding met de staat, de natie en bijvoorbeeld de EU
sociale institutie: complex van min of meer geformaliseerde regels die gedrag en relaties reguleren
This item has no instructions