Sociale cohesie en groepen (Maatschappijwetenschappen vwo), les 3: Terugblik quiz

BINDING · SOCIALE COHESIE

Quiz

Terugblik: Sociale cohesie en groepen

1 / 15
next
Slide 1: Slide
New lesson editorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Terugblik met een quiz van twaalf vragen over bindingen, groepen, cohesie, politieke cohesie en instituties.

Items in this lesson

BINDING · SOCIALE COHESIE

Quiz

Terugblik: Sociale cohesie en groepen

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Fotopersbureau de Boer, Noord-Hollands Archief / Wikimedia Commons, CC0

Welke binding hoort bij het gevoel dat je bij een groep wilt horen?

A

Een economische binding

B

Een affectieve binding

C

Een cognitieve binding

D

Een politieke binding

Goed: een affectieve binding, afhankelijkheid voor positieve en negatieve gevoelens, zoals liefde, steun en bij een groep willen horen (syllabus 14.1).

Een nieuw projectteam ruziet over taakgericht of vooral gezellig werken. Welke fase is dit?

A

De oriëntatiefase

B

De integratiefase

C

De ordefase

D

De conflictfase

Syllabus 14.3: verschillen in opvattingen over taakgericht of sociaal-emotioneel samenwerken horen bij de conflictfase. Verwachte fout: oriëntatiefase.

Een onderzoeker vraagt welke functie onderlinge betrokkenheid heeft voor het voortbestaan van de samenleving. Welk paradigma?

A

Het conflictparadigma

B

Het sociaalconstructivisme

C

Het rationele actor-paradigma

D

Het functionalisme

Syllabus 14.2. Verwachte fout: sociaalconstructivisme, omdat betrokkenheid een gevoel lijkt.

Dirk voelt zich op het werk vooral collega, bij voetbal supporter en thuis vader. Welk begrip past?

A

Mechanische solidariteit

B

Meervoudige identiteit

C

Een sociale categorie

D

Dropping out

Syllabus 14.2: wisselende identificatie met verschillende groepen. Verwachte fout: sociale categorie.

Voor een supporter is de eigen club de ene groep en de rivaal de andere. Welke begrippen zijn dat?

A

Primaire en secundaire groep

B

Formele en informele groep

C

Ingroup en outgroup

D

Sociale categorie en institutie

Syllabus 14.3: vanuit de positie van de actor. Verwachte fout: primaire en secundaire groep.

Welke groep is een primaire groep?

A

Een gezin met onderlinge steun en loyaliteit

B

Een afdeling van een belastingkantoor

C

Alle klanten van een supermarkt

D

Een vakbond met duizenden leden

Syllabus 14.3: persoonlijke en emotionele band, steun en loyaliteit. Verwachte fout: afdeling, omdat die een team vormt.

Marije verliest haar baan en kan de contributie van haar club niet meer betalen. Ze zegt op. Welke vorm?

A

Niet willen horen: opting out

B

Niet kunnen horen

C

Niet mogen horen: discriminatie

D

Niet mogen horen: uitsluiting

Syllabus 14.3: armoede en werkloosheid horen bij niet kunnen horen. Verwachte fout: opting out omdat ze zelf opzegt.

Wat heeft de maatschappij nog als mensen waarden en normen niet geïnternaliseerd hebben?

A

Mechanische solidariteit

B

Politieke cohesie

C

Meervoudige identiteit

D

Sociale controle

Syllabus 14.4: naast socialisatie en acculturatie is er sociale controle met sancties. Verwachte fout: mechanische solidariteit.

Inwoners voelen zich meer Europeaan dan vroeger. Welke ontwikkeling raakt dit?

A

Internationalisering van politieke bindingen

B

Individualisering van de arbeidsdeling

C

Bestuurlijke schaalvergroting

D

Gemankeerde communicatie

Syllabus 14.4: binding met Europa en de EU naast de nationale staat. Verwachte fout: bestuurlijke schaalvergroting.

Veiligheid en zorg worden regionaal geregeld. Burgers voelen zich los van hun achterban. Welk probleemgebied?

A

Politieke betrokkenheid

B

Gemankeerde communicatie

C

Bestuurlijke schaalvergroting

D

Meervoudige identiteit

Syllabus 14.4, Schuyt: taken gaan de gemeentelijke schaal te boven en burgers haken af. Verwachte fout: gemankeerde communicatie.

Welke bewering over sociale instituties klopt?

A

Ze berusten alleen op wettelijke macht

B

Ze ontstaan binnen korte tijd door één persoon

C

Ze zijn vrij stabiel maar veranderen met de omstandigheden

D

Ze sanctioneren gedrag niet

Syllabus 14.5. Verwachte fout: alleen wettelijke macht, terwijl moreel gezag vaak telt.

Vul in

Een formele groep heeft vaste doelen, normen en regels. Bij een informele groep zijn de rollen flexibel.

formele
informele
rollen
primaire
secundaire

Syllabus 14.3. Verwachte fout: primair en secundair verwisselen met formeel en informeel.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

BINDING · SOCIALE COHESIE

Goed gedaan!

Bindingen verbinden mensen, groepsvorming bepaalt wie erbij hoort, sociale cohesie meet hoe sterk dat is, en instituties geven er vaste regels aan.

This item has no instructions