TT en VT kofschip les mei 2026

De persoonsvorm spellen in de

tegenwoordige tijd


Als de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd staat,

zijn er maar drie mogelijkheden

1 / 41
next
Slide 1: Slide
SpellingBasisschoolGroep 5

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

De persoonsvorm spellen in de

tegenwoordige tijd


Als de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd staat,

zijn er maar drie mogelijkheden

Slide 1 - Slide

Tegenwoordige tijd
1. Ik: Ik-vorm (aangepaste stam)
2.Ander: Ik-vorm + t
3.Wij: Hele werkwoord


Bekijk de regels en leer goed wanneer je welke vorm gebruikt!
Vormen

Slide 2 - Slide

1. Ik-vorm

Enkelvoud ik-vorm of jij erachter:

schrijf alleen de stam


ik loop

ik fiets

ik praat

ik vind

loop jij

fiets jij

praat jij

vind jij

Slide 3 - Slide

2. Ik-vorm + T

Enkelvoud andere vormen:

schrijf de ik-vorm + t




jij loopt

hij fietst

zij praat

Fred vindt

Slide 4 - Slide

3. HELE WERKWOORD

Meervoud:

schrijf het hele werkwoord


wij lopen

zij fietsen

jullie praten

Fred en Laurien vinden

Slide 5 - Slide

HOLLEN


Ik ... naar huis.
A
hol
B
holt
C
hollen

Slide 6 - Quiz

VINDEN


Hij ... een schat.
A
vind
B
vindt
C
vinden

Slide 7 - Quiz

SCHUDDEN
Ik  ..... de kaarten. 
A
schud
B
schudt
C
schudden

Slide 8 - Quiz

SCHUDDEN
Hij  ..... de kaarten. 
A
schud
B
schudt
C
schudden

Slide 9 - Quiz

SCHUDDEN
Wij  ..... de kaarten. 
A
Schud
B
Schudt
C
schudden

Slide 10 - Quiz

SCHUDDEN
 ......  jij de kaarten? 
A
Schud
B
Schudt
C
schudden

Slide 11 - Quiz

Slide 12 - Video

BEVRIJDEN
Mijn broer ...... me. 
A
bevrijd
B
bevrijdt
C
bevrijden

Slide 13 - Quiz

BEVRIJDEN
Wij ...... de honden. 
A
bevrijd
B
bevrijdt
C
bevrijden

Slide 14 - Quiz

BEVRIJDEN
Ik ............ mijn zusje.
A
bevrijd
B
bevrijdt
C
bevrijden

Slide 15 - Quiz

BEVRIJDEN
.......... jij de hond? 
A
Bevrijd
B
Bevrijdt
C
Bevrijden

Slide 16 - Quiz

Joris ... (blazen) de kaarsen uit.

Slide 17 - Open question

William ... (schrijven) netjes .

Slide 18 - Open question

Lotte ... (houden) van lezen.

Slide 19 - Open question

Ik ... (vinden) lezen ook leuk.

Slide 20 - Open question

Quincy ... (spellen) de woorden in het dictee bijna allemaal goed.

Slide 21 - Open question

Maartje ... (vieren) haar verjaardag vandaag.

Slide 22 - Open question

Iris ... (worden) later dokter.

Slide 23 - Open question

Peter ... (geven) het huiswerk door aan Anke.

Slide 24 - Open question

Elisa ... (spelen) graag in het bos.

Slide 25 - Open question

Sleep de werkwoorden naar de goede plek!
TEGENWOORDIGE TIJD
VERLEDEN TIJD
bloedde
vermeldde
bloed
vermeldt
besteedde
verbreden
bevrijdden
besteedt
bevrijden
besteedden

Slide 26 - Drag question

Sleep de werkwoorden naar de goede plek!
TEGENWOORDIGE TIJD
VERLEDEN TIJD
verrichtten
hecht
verrichten
mist
ontmoetten
ontmoet
startte
hechtte
mistte
starten

Slide 27 - Drag question

Verleden tijd
Verleden tijd: sterke en zwakke werkwoorden

Slide 28 - Slide

STERKE

werkwoorden


hebben de KRACHT om in de verleden tijd van klank te veranderen

Slide 29 - Slide

zwakke werkwoorden
Bij zwakke werkwoorden blijft de klank 
(de klinker) in de verleden tijd hetzelfde.
bakken - bakten
koken - kookten

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Slide

werkwoord: melden

Hij ..... zich bij de politie.
TT

Slide 32 - Open question

werkwoord: melden

Hij ..... zich bij de politie.
VT

Slide 33 - Open question

werkwoord: starten

Mijn vader ..... de auto.
TT

Slide 34 - Open question

werkwoord: starten

Mijn vader ..... de auto.
VT

Slide 35 - Open question

werkwoord: sprinten

De sporters ..... naar de finish.
VT

Slide 36 - Open question

werkwoord: vergroten

De fotograaf ..... de foto.
VT

Slide 37 - Open question

werkwoord: beantwoorden

Zojuist ..... wij de vraag.
VT

Slide 38 - Open question

werkwoord: redden

Gisteren ..... Jan en Karel de vogel.
VT

Slide 39 - Open question

werkwoord: testen

Jij ..... vanochtend het spel.
VT

Slide 40 - Open question

werkwoord: leiden

Mark en Geert ..... de vergadering.
VT

Slide 41 - Open question