klas 2D 9 dec.pptx

Taal

Thema 6

5-12-2024

1 / 36
next
Slide 1: Slide
New lesson editorTaalHBOStudiejaar 2

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 100 min

Items in this lesson

Taal

Thema 6

5-12-2024



Functies van jeugdliteratuur

Deel en wissel uit: welke functies zou jij uitkiezen voor jouw sterke en zwakke leerling?

Vormen van lezen

  • klassikaal​

  • individueel ​

  • duo​

  • groepslezen; homogeen, heterogeen,​

  • forum ​

  • theater ​

  • samenwerkend leren

Welke vorm zie jij in je stageklas?

Leesproblemen

  • elementarie leeshandeling

  • spellend lezen

  • radend lezen

  • langzaam lezen

  • eentonig

  • dyslexie

  • problemen van anderstalige kinderen

Herken jij een kind met zo'n probleem? Hoe wordt dat kind geholpen?


Factoren die het lezen kunnen beïnvloeden

  • Leestechnische factoren

  • Individuele factoren

  • Omgevingsfactoren

  • Schoolfactoren



viertakt model voor woordenschatonderwijs (Van den Nulft &Verhallen, 2002)



Taalleermechanisme

de leerling produceert uitgebreid en op eigen initiatief:
de leerling gebruikt zo creatief en actief mogelijk zijn kennis van de taal


hij merkt dat hij iets nog niet precies weet

hij gaat op de taalelementen letten in de taal die hij om zich heen hoort


en zo ontdekt hij wat hij nog niet wist

en krijgt dus nieuwe kennis van de taal

(Damhuis & Litjens,2000)


Taalontwikkelende interactie vaardigheden
(Verhallen, 2006)


Leerkrachtgedrag dat ruimte schept

  • bewering in plaats van vraag
    luisterrespons: Oh of Mmm, daarna direct stil blijven en ruimte teruggeven aan leerling:

  • instemmen: Ja, instemmend knikken
    korte reactie die laat merken dat je het volgt:

    • bewonderende reactie: Zo! of Goed hoor!
      verwonderde, verbaasde reactie: Oh? of Nee toch!

  • kort herhalen, eventueel met uitbreiding
    herhalen in vragende vorm

  • stilte na eigen bijdrage, én na bijdrage leerling
    bijdrage van een leerling herhalen en doorspelen naar de andere leerlingen

(Damhuis & Litjens,2000)

Vorm van vragen: oplopende ruimte voor de leerling

  • aanwijsvragen:
    leveren nog geen praten op.

  • wat-, wie-, of/of-vragen:
    beperkt antwoord; geven label aan voorwerp; eenwoordzin.

  • waarom- en hoe-vragen:
    uitgebreider antwoord; geschikt voor bijdragen van meer dan één zin.

  • tegendeel-vragen:
    na ontkennende reactie stil blijven, zodat leerling geprikkeld wordt toe te lichten; geschikt voor bijdragen van meer dan één zin.

  • vragen naar eigen ervaringen:
    open doorvragen, uitlokken tot verder vertellen; geschikt voor bijdragen van meer dan één zin.

(Damhuis & Litjens,2000)


Hoe zou je kunnen reageren als leerkracht?

  • Gesloten vraag

  • Open vraag

  • Luisterrespons/bewering


in groepjes van 2-3 studenten


Je bent bezig met een kringgesprek over huisdieren. Een leerling zegt: 'Mijn hond is gisteren weggelopen.’

Je bent bezig met een kringgesprek over het thema 'beroepen'. Een leerling zegt: "Ik wil later YouTuber worden!“

Tijdens een les over gezonde voeding zegt een leerling: "Ik lust geen groente."


Thema 6 – onderzoeksverslag

Inleiding en APA

Hogeschool Rotterdam


Inhoud

Doel van de opdracht

Opbouw onderzoeksverslag

Inleiding: hoe bouw je die op?

APA: Bronnen verwerken, synthetiseren en noteren

Doel van de opdracht ‘onderzoeksverslag’

In thema 6 ga je onderzoek doen naar hoe het onderwijs afgestemd wordt op verschillen tussen leerlingen in jouw stageklas.

Wat leer je allemaal?

  • Hoe je omgaat met verschillen (over talenten- en identiteitsontwikkeling, adaptief onderwijs, differentiatievormen en taalgericht onderwijs) door betrouwbare artikelen daarover te lezen;

  • Kritisch en bewust kijken naar het handelen van anderen (in dit geval je werkplekbegeleider) om van te leren;

  • Systematisch onderzoeken van hoe je werkplekbegeleider haar onderwijs afstemt op verschillen, in plaats van inschatten/intuitief oordelen. Na je onderzoek kun je daar een onderbouwde uitspraak over doen.

  • Onderbouwde lessen maken doordat je een voorbeeld uit de praktijk (je werkplekbegeleider) hebt geanalyseerd en betrouwbare informatie (theorieën) daarover hebt opgezocht, en als die kennis gebruikt om nog betere (adaptievere!) lessen te maken

  • Je onderzoek en kennis over dragen aan anderen: schrijven van verslag.




Onderzoeksstappen

Bestuderen en verwerken van literatuur

Data verzamelen (Interview afnemen en observeren)

Data- analyse (van interviewgegevens en de observatiegegevens)

Resultaten beschrijven

Conclusie schrijven

Lessen ontwerpen

Discussie schrijven

Opstapje naar jaar 3

Welke onderzoeksvragen ga je onderzoeken?

1. Hoe stimuleert mijn werkplekbegeleider de talenten en identeitsontwikkeling van de leerlingen?

2. Welke differentiatievormen gebruikt mijn werkplekbegeleider?

3. Hoe geeft mijn werkplekbegeleider adaptief onderwijs door in te spelen op relatie, competentie en autonomie?

4. Hoe geeft mijn werkplekbegeleider taalgericht onderwijs?


Wat is de opbouw van het onderzoeksverslag?

Inleiding

Resultaten

Conclusie

Lessen

Discussie

Bronnen-/literatuurlijst

Bijlagen (ingevulde onderzoeksinstrumenten, lesvoorbereidingsformulieren en/of betekenisvolle onderwijssituaties).

Inleiding = theoretisch kader

In de inleiding van een onderzoeksverslag leid je de vier onderzoeksvragen in. Dus daar verwerk je alles wat nodig is voor de lezer om de onderzoeksvragen te begrijpen. Dit omvat de volgende informatie:

  • Talentontwikkeling: beschrijving van wat talentontwikkeling is en een concrete beschrijving van minimaal drie diverse talenten die jij herkent in je stageklas.

  • Identiteitsontwikkeling: hoe gewerkt kan worden aan identiteitsontwikkeling en een voorbeeld van hoe je dat in jouw stageklas zou kunnen toepassen.

  • Differentiatie: een definitie van gedifferentieerd onderwijs en een beschrijving van verschillende differentiatievormen aan de hand van de theorie.

  • Adaptief onderwijs: De drie basisbehoeften binnen adaptief onderwijs en juiste voorbeelden van hoe je hieraan tegemoet kunt komen in je onderwijs.

  • Taalgericht/taalontwikkelend onderwijs: beschrijving van wat taalgericht onderwijs is en hoe je instructie, vragen en werkvormen kunt afstemmen op de talige verschillen tussen de leerlingen.

  • Formulering van de vier onderzoeksvragen.

  • Een korte beschrijving van de opbouw van het verslag.

Dit noemen we ook wel het theoretisch kader

Schrijven van inleiding/theoretisch kader

Hoe pak je het aan?

1. Kijk in de opdracht welke onderwerpen je in de Inleiding moet behandelen (zie vorige slide)

2. Bronnen zoeken/lezen/selecteren om te kunnen beschrijven wat talentontwikkeling is, wat identiteitsontwikkeling is, welke differentiatievormen er zijn, wat de drie basisbehoeften binnen adaptief onderwijs zijn en wat taalgericht onderwijs inhoudt.

3. Bronnen lezen en selecteren.

4. Raamwerk/Structuur maken en invullen.

5. Bronnen verwerken in je eigen tekst: parafraseren, samenvatten, synthetiseren, noteren.



Structuur: globaal

Opdracht


  • Talentontwikkeling: beschrijving van wat talentontwikkeling is en een concrete beschrijving van minimaal drie diverse talenten die jij herkent in je stageklas.

  • Identiteitsontwikkeling: hoe gewerkt kan worden aan identiteitsontwikkeling en een voorbeeld van hoe je dat in jouw stageklas zou kunnen toepassen.

  • Differentiatie: een definitie van gedifferentieerd onderwijs en een beschrijving van verschillende differentiatievormen aan de hand van de theorie.

  • Adaptief onderwijs: De drie basisbehoeften binnen adaptief onderwijs en juiste voorbeelden van hoe je hieraan tegemoet kunt komen in je onderwijs.

  • Taalgericht onderwijs: beschrijving van wat taalgericht onderwijs is en hoe je instructie, vragen en werkvormen kunt afstemmen op de talige verschillen tussen de leerlingen.

  • Formulering van de vier onderzoeksvragen.

  • Een korte beschrijving van de opbouw van het verslag.


Kopjes voor paragrafen


Talentontwikkeling

………..

Identiteitsontwikkeling

……….

Differentiatie

………..

Adaptief onderwijs

………….

Taalgericht onderwijs

…………

Onderzoeksvragen

………..

Opbouw verslag

…………..

De opdrachtomschrijving geeft al een handige structuur. Gebruik die!

Structuur: alinea-indeling

Om het je lezer makkelijk te maken deel je je paragrafen op in hapklare brokken: alinea’s.

Voor elk nieuw onderwerp begint een nieuwe alinea. Een alinea is een zichtbaar gemarkeerde teksteenheid die bestaat uit een aantal samenhangende zinnen. Je begint een nieuwe alinea door ‘in te springen met een Tab’.

Voorbeeld


Talentontwikkeling


Talent is het vormogen om iets heel goed te kunnen op basis van natuurlijke aanleg van het kind dat tot bloei kan komen door een stimulerende omgeving en motivatie (Gagne, 2004; Verlinden & Peters, 2016). Je ontwikkelen vanuit talenten, je sterke kanten, is effectiever dan leren vanuit dingen die je niet goed kunt. Wanneer je kinderen aanspreekt op hun talenten gaan ze beter presteren, omdat het hen meer energie en een gelukkig gevoel geeft. Talenten kun je herkennen door gesprekken te voeren met kinderen,………..(Verlinden & Peters, 2016)

In mijn stageklas heb ik een leerling die ….


Alinea over wat talentontwikkeling

Inhoudt (theorie)




Alinea waarin je een voorbeeld

uit je stageklas bespreekt (praktijk)

Structuur: alinea-indeling

Tussen en binnen alinea’s gebruik je verbindingswoorden en verwijswoorden om samenhang tussen de zinnen aan te brengen.


Voorbeeld

Een van de beste recepten om te differentiëren is: meer tijd uittrekken voor de leerlingen die moeite hebben om de minimumdoelen te behalen. Een grote overzichtsstudie laat zien dat er een samenhang is tussen instructietijd en leerlingresultaten: hoe langer de instructietijd, hoe beter de resultaten. Een effectief recept dus, maar de uitvoering is nog niet zo makkelijk. Uit onderzoek blijkt namelijk dat het niet om een beetje extra tijd gaat, maar meer dan het dubbele van de instructietijd die gemiddeld aan een onderwerp wordt besteed.

Aan elke leerling voldoende tijd besteden vraagt om organisatorisch talent van de leraar. In dit hoofdstuk bespreken we verschillende mogelijkheden. Eerst gaan we in op vormen van extra instructie en oefening die worden aangeboden aan leerlingen die de stof nog onvoldoende beheersen. Vervolgens bespreken we pre-teaching: extra instructie vóór het klassikaal behandelen van de stof.

Feedback geven op structuur

Reverse outlining


Stap 1: Nummer je alinea’s.

Stap 2: Bepaal per alinea over welk onderwerp deze gaat.

2a: Is er een duidelijke kernzin?

2b: Is de alinea te kort of te lang? Is het onderwerp voldoende uitgediept?

Is er meer dan een 1 onderwerp in de alinea?

Stap 3: Zet deze onderwerpen in een inhoudsopgave.

Stap 4: Beoordeel deze inhoudsopgave: staan de onderwerpen in een logische volgorde? Is er teveel aandacht voor bepaalde onderwerpen?

Stap 5: Gebruik deze analyse om een nieuwe inhoudsopgave te maken.

Stap 6: Gebruik deze nieuwe inhoudsopgave om je tekst te herstructureren.

Stap 7: Gebruik je antwoorden bij stap 2a en stap 2b om kernzinnen te formuleren en een coherente tekst te creëren.

Feedback geven op structuur

Markeren


  • Door de kernzinnen te markeren, kom je erachter of je wel een kernzin hebt.


  • Door de structuur- en verbindingswoorden te markeren, kom je erachter of er voldoende samenhang is tussen de woorden en of je voldoende variatie in verbindings- en verwijswoorden hebt aangebracht.


  • Door woorden in de kantlijn te plaatsen, haal je de structuur naar boven, en kun je beoordelen of de juiste informatie bij elkaar staat.



Opdracht: eigen inleiding of die van een peer

Lees een stuk van de Inleiding van een medestudent en ‘beoordeel’ de structuur met behulp van reverse outlining en markeren.


Zijn er duidelijke kopjes?

Dekken de kopjes de inhoud die eronder staat?

Is er een duidelijke alinea-indeling?

Staan er duidelijke kernzinnen?

Staan de zinnen logisch met elkaar in verband? Worden er voldoende verbindings- en verwijswoorden gebruikt?


Bronnen verwerken

Als je de gobale structuur (kopjes) hebt bepaald, dan ga je bekijken welke informatie je onder iedere kopje gaat plaatsen. De informatie haal je voornamelijk uit bronnen.

De inhoud van de bronnen die van belang is, verwerk je door te parafraseren en samen te vatten.

Belangrijk is dat je tekst niet letterlijk overneemt.


Voorbeeld parafrase

Batselier, Steeman en De Vlieger (2018) pleiten voor een kindgerichte benadering wanneer je kiest voor een gender bewuste opvoeding. Als je vertrekt vanuit de talenten en interesses van het kind ben je automatisch minder geneigd om stereotypen uitspraken te doen.


Voorbeeld samenvatting:

Verlinden en Peeters (2016) geven handvatten voor leerkrachten voor hoe zij talenten in de klas zichtbaar kunnen maken. Ze geven er zeven. De eerste is ….

Bronnen verwerken

Om de verschillende citaten, parafrases en samenvattingen op een afwisselende manier met elkaar te verbinden gebruik je citeerwoorden.

Citeerwoorden zijn synoniemen voor het woord zeggen. Als je de citeerwoorden afwisselend en nauwkeurig gebruikt, wordt je tekst niet alleen duidelijker en preciezer, maar ook levendiger. Als je geen citeerwoorden gebruikt, lijkt het alsof je je tekst hebt geknipt en geplakt uit andere teksten zonder daar iets aan toe te voegen.


Voorbeelden van het gebruik van citeerwoorden

Batselier, Steeman en De Vlieger (2011) beweren dat ...

Jane Smith (2011) stelt dat ...

Het onderzoek van Gagne (2004) wijst er op dat ...

Jane Smith (2011) benadrukt dat ...

Uit het onderzoek van Jane Smith (2011) is gebleken dat ...

Volgens Jane Smith (2011) ...

Verlinden en Peeters (2016) beschrijven ..

Bronnen synthetiseren

Je kunt de bron op verschillende plaatsen vermelden. Hieronder zie je een voorbeeld van hoe er binnen een alinea verschillende bronnen op verschillende manieren zijn verwerkt.


Voorbeeld

Uit onderzoek van Oostdam, Boendermaker en Blok (2012) blijkt dat het begeleid hardop lezen van teksten een positief effect heeft op de resultaten en leesplezier van de zwakke leerling. Vernooy en Vollenbroek (2012) beamen deze resultaten en beweren dat naast het hardop lezen, een modellende leerkracht het beste uit een zwakke leerling haalt. De leerlingen hebben succeservaringen en een inspirerende omgeving nodig om intrinsiek gemotiveerd te raken (Fiori, 2013). Ook hebben zij een leerkracht nodig die bereid is om de interessegebieden van leerlingen te onderzoeken (Hardeveld, 2013).



Bronnen noteren

Als je besluit om de gevonden bron te verwerken in je verslag, dan is het verplicht om de bron te vermelden.

Je mag niet zomaar teksten en ideeën van anderen overnemen. Doe je dat wel, dan pleeg je plagiaat.


Volgens De APA-richtlijnen uitgelegd (Surf, 2018) zijn de doelen van bronvermelding als volgt:


• Vindbaarheid - Uit de bronnenlijst wordt duidelijk waar de informatie kan worden teruggevonden (in een boek,

op het internet, etc.);

• Controleerbaarheid - De gevonden informatie is goed begrepen en verwoord;

• Bescheidenheid - De ander krijgt de eer die hem of haar toekomt.


Een uniforme stijl maakt teksten en vooral bronvermeldingen overal ter wereld herkenbaar. De Publication manual of the American Psychological Association bevat een van de meest gebruikte richtlijnen. De Werkgroep APA heeft deze richtlijnen vertaald en aangepast aan het Nederlands en gepubliceerd in De APA-richtlijnen uitgelegd (Surf, 2018). Deze richtlijnen worden nu gebruikt in het Hoger Onderwijs.

Bronnen noteren

Je verwijst op twee plaatsen naar een bron:


In de tekst:

  • Door te parafraseren of samen te vatten. De bron wordt zo vroeg mogelijk vermeld. (zie volgende slide voor voorbeelden)


In de literatuurlijst:


  • Alle verwijzingen die in de tekst staan – persoonlijke communicatie uitgezonderd – zijn terug te vinden in de bronnenlijst. 

  • Alleen bronnen waar in de tekst naar verwezen wordt, worden in de bronnenlijst opgenomen. (Eventuele andere bronnen die alleen geraadpleegd en niet gebruikt zijn, worden dus niet vermeld.)

  • De bronnenlijst is een nieuw hoofdstuk en komt na de hoofdtekst en voor de eventuele bijlage(n). De bronnen staan op alfabetische volgorde.