Van A tot Zin 4.4 Vandaag ga ik naar school

Van A tot Zin 
thema 4
4.4 
1 / 10
next
Slide 1: Slide
NT2Voortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

This lesson contains 10 slides, with interactive quiz and text slides.

Items in this lesson

Van A tot Zin 
thema 4
4.4 

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Lesdoel
Aan het eind van de les kun je correcte zinnen maken met woorden van tijd en plaats aan het begin van de zin.

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Uitleg
Zinnen die beginnen met het onderwerp:

Ik ga vanmiddag naar school.

Jasmin leert Nederlands op school.

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Uitleg
Zinnen die beginnen met woorden van tijd en plaats:
Vanmiddag ga ik naar het strand.
Op school leert Jasmin Nederlands.

Woorden van tijd en plaats zet je aan het begin van de zin als je ze heel belangrijk vindt.

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Uitleg
woorden van tijd en plaats         werkwoord       onderwerp           rest van de zin  
Om half drie                                        heb                        ik                                een afspraak

Het (eerste) werkwoord blijft op de tweede plaats. 
Maar de plaats van het onderwerp verandert. 
Het onderwerp komt nu na het werkwoord. Dat heet inversie.

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Praat samen (klassikaal)
Lees de zin. Verander de zin. Begin met het onderstreepte woord of de onderstreepte woorden.
1. Ik werk niet op zaterdag.
2. Het is warm in de kamer.
3. Hij slaapt soms in de trein.
4. Wij blijven vanmiddag op school.
5. Je gaat straks je huiswerk maken.
6. Ik kook morgen iets lekkers voor je.

Slide 6 - Slide

This item has no instructions


Praat samen in tweetallen



1. Jullie kunnen hier lekkere koffie drinken.
2. Wij gaan zondag bij familie op bezoek.
3. Ali gaat vanmiddag solliciteren.
4. Er zijn veel koeien in Nederland.
5. Ik mis mijn land elke dag.
6. Felix kijkt 's avonds graag naar films.


Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Lees de vraag. Geef antwoord.; Begin je antwoord met de onderstreepte woorden.
1. Wat eet je graag in de zomer?
2. Wat doe je meestal op zaterdag?
3. Wat drink jij in de pauze?
4. Wat doe jij elke dag?
5. Wat vind je raar in Nederland?
6. Welk feest is heel belangrijk in je land?
7. Wat doe je graag in het weekend?
8. Welke leuke dingen kun je in je woonplaats doen?
9. Welke meubels staan in je slaapkamer?
10. Naar welke muziek luister je in de auto?

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Speel het spel
Uitleg
1. Gooi met de dobbelsteen. Je gooit bijvoorbeeld 5.
2. Pak je pion. Je pion mag vijf vakken verder.
3. In welk vakje kom je? Lees de woorden.
4. Bedenk de rest van de zin. Let op de goede volgorde! Zeg de hele zin.
5. De andere cursist of cursisten luisteren.
Is de zin goed? Prima! Nu is de volgende cursist aan de beurt.
Is de zin niet goed? Zet de pion twee vakjes terug. Daarna is de volgende cursist aan de beurt. Wie het eerst aan het einde is, heeft gewonnen.

Slide 9 - Slide

Het spel:
1. Gooi met de dobbelsteen. Je gooit bijvoorbeeld .
2. Pak je pion. Je pion mag vijf vakken verder.
3. In welk vakje kom je? Lees de woorden.
4. Bedenk de rest van de zin. Let op de goede volgorde! Zeg de hele zin.
5. De andere cursist of cursisten luisteren.
Is de zin goed? Prima! Nu is de volgende cursist aan de beurt.
Is de zin niet goed? Zet de pion twee vakjes terug. Daarna is de volgende cursist aan de
beurt.
Wie het eerst aan het einde is, heeft gewonnen.
Je kunt correcte zinnen maken met woorden van tijd en plaats aan het begin van de zin.
Ja
Een beetje
Nee

Slide 10 - Poll

This item has no instructions