A0 - A1 Zelfstandig naamwoord ev en mv

Zelfstandige naamwoorden
  • Mensen, dingen en dieren;
  • Voor deze woorden kun je de, het en een zetten;
  • Bijvoorbeeld de fiets, het huis, een meisje. 
  • Fiets, huis en meisje zijn voorbeelden van zelfstandige naamwoorden. 
1 / 21
next
Slide 1: Slide
NT2Beroepsopleiding

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Zelfstandige naamwoorden
  • Mensen, dingen en dieren;
  • Voor deze woorden kun je de, het en een zetten;
  • Bijvoorbeeld de fiets, het huis, een meisje. 
  • Fiets, huis en meisje zijn voorbeelden van zelfstandige naamwoorden. 

Slide 1 - Slide

Werkwoorden

Slide 2 - Slide

Enkelvoud en meervoud
  • enkelvoud betekent 1: pen, zaag, meisje
  • meervoud betekent: >1: pennen, zagen, meisjes

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Klinkers en medeklinkers
Het Nederlandse alfabet heeft klinkers:

a - e - o - u - i - y


Het Nederlandse alfabet heeft medeklinkers:

b - c - d - f - g - h - j - k - l - m - n - p - q - r - s - t - v - w - x  - z

Slide 7 - Slide

Meervoud maken - de regels
woorden met een lange klank        aa  ee  oo  uu 
Regel: twee dezelfde klinkers en daarna één medeklinker?

Je schrijft 1 klinker en 1 medeklinker in het meervoud: zaag - zagen.
woorden met een korte klank        a  e  i o  u 
Regel: Eén klinker en daarna één medeklinker?

Je schrijft 1 klinker en 2 medeklinkers in het meervoud: pen - pennen.

Slide 8 - Slide

Let op bij woorden met f en s
Heeft het enkelvoud twee klinkers (ee, ie, ui, oo, aa, oe, uu, au, eu) of een ij? En is de laatste letter van het woord een f?
In het meervoud schrijf je v: brief - brieven, neef - neven, 
Of is de laatste letter een s? 
In het meervoud schrijf je z:
prijs - prijzen,  kaas - kazen

Slide 9 - Slide

Meervoud bij andere woorden
Vaak met -en: armen, voeten, stoelen



Slide 10 - Slide

Eén gum, twee ...
A
gumen
B
gummen
C
gums

Slide 11 - Quiz

één schuur, twee ...
A
schuren
B
schuuren
C
schuurs

Slide 12 - Quiz

Eén kip, drie ...
A
kips
B
kippen
C
kipen

Slide 13 - Quiz

Eén druif, twintig ...
A
druiven
B
druifen
C
druivven

Slide 14 - Quiz

Eén doos, drie ...
A
doosen
B
dozen
C
doozen

Slide 15 - Quiz

Een klok, twee ...

Slide 16 - Open question

Een schaar, twee ...

Slide 17 - Open question

Eén lokaal, vijf ...

Slide 18 - Open question

Eén huis, twee ...

Slide 19 - Open question

Eén brief, zes ...

Slide 20 - Open question

Ik vind de regels voor meervoud
A
moeilijk
B
makkelijk

Slide 21 - Quiz