2 KT 12 February

Welcome!

1 / 27
next
Slide 1: Slide
EngelsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Welcome!

Slide 1 - Slide

Grammar time!

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Video

TO BE GOING TO
Je gebruikt een vorm van to be going to wanneer..

1. je iets van plan bent in de toekomst;
      I am going to watch a movie tonight.
2. je zeker weet dat iets zal gaan gebeuren.
      Look at those clouds! It is going to rain.



Slide 8 - Slide

TO BE GOING TO
TO BE + going to + werkwoord
wanneer er als werkwoord "to walk" staat, gebruik dan alleen "walk" zonder "to".
dit neem je gewoon letterlijk zo over.
am, is of are

Slide 9 - Slide

TO BE GOING TO
She         is               going to                  eat               rice.
She         is    not    going to                  eat               rice.
Is           she             going to                  eat               rice?

Slide 10 - Slide

WILL 
Je gebruikt een vorm van     will           wanneer..

1. iets in de toekomst gaat gebeuren;
      It will be dark soon.
2. je iets spontaan besluit te gaan doen.
      Alright then, I will help you in a minute.


Slide 11 - Slide

WILL
Je gebruikt een vorm van      will          bij..

3. een veronderstelling, belofte, aanbod, verzoek en voorspelling.
   He will not be on time. He never is.

Slide 12 - Slide

WILL 
Bevestigend
Ontkennend
Vragend
will + WW
She will help me.
Tekst


won't + WW
She won't help  me.


will + WW
Will she help me?


Slide 13 - Slide

WILL & SHALL
WILL
SHALL
Dit mag bij elk onderwerp (I, you, we, they, he, she, it) en bij elke soort zin (bevestigend, ontkennende, vragend).
Dit mag alleen bij I en we. Je mag het gebruiken bij een bevestigende of ontkennende zin, maar je moet het gebruiken in een vraagzin,

Slide 14 - Slide

Quiz

WILL/ TO BE GOING TO

Slide 15 - Slide

Wanneer gebruik je will?
A
Iets van plan zijn
B
Een voorspelling zonder bewijs
C
Iets aanbieden
D
Belofte

Slide 16 - Quiz

Wanneer gebruik je to be going to?
A
Een voorspelling met bewijs
B
Iets van plan zijn
C
(Spontaan) besluit
D
Belofte

Slide 17 - Quiz

You ..... probably ..... first prize.
A
will ... win
B
are ... going to win

Slide 18 - Quiz

You must be hungry.
I ... you a sandwich.
A
am going to make
B
will make

Slide 19 - Quiz

I have no idea, but I have a feeling that my team ..... tomorrow's match.
A
will win
B
is going to win

Slide 20 - Quiz

Look! He ...... off his bike!
A
will fall
B
is going to fall

Slide 21 - Quiz

They ..... there on time.
A
are not going to be
B
won't be

Slide 22 - Quiz

Marc ...... this week. He has broken his knee.
A
isn't going to train
B
won't train

Slide 23 - Quiz

The match ..... in a few minutes.
A
is going to start
B
will start

Slide 24 - Quiz

Final question:

We ..... a film tonight.
A
will watch
B
are going to watch

Slide 25 - Quiz

today's work 12 February
I Grammar



Exercises 53b, 54b, 54c 
pages  43- 44 or online

learn words! A, C, F & G, 48-49

Slide 26 - Slide

Questions?

Slide 27 - Slide