Verbanden in een tekst (Engels vmbo), les 2: Examentraining

Verkeersbord met een pijl naar twee kanten

EXAMENSTOF ENGLISH · READING · LINKS IN A TEXT

Examentraining

Verbanden in een tekst: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEngelsMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining verbanden en verwijswoorden: een stappenplan, drie eigen Engelse leesteksten en 6 examenvragen over signaalwoorden, verwijswoorden en de volgorde van gebeurtenissen.

Items in this lesson

Verkeersbord met een pijl naar twee kanten

EXAMENSTOF ENGLISH · READING · LINKS IN A TEXT

Examentraining

Verbanden in een tekst: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Pablo Garcia Saldaña / Wikimedia Commons, CC0

EXAMENSTOF ENGLISH · READING · LINKS IN A TEXT

Wat ga je kunnen?

Ik kan in een Engelse tekst het juiste signaalwoord kiezen, een verwijswoord terugvinden en gebeurtenissen op de juiste volgorde zetten.

This item has no instructions

EXAMENSTOF ENGLISH · READING · LINKS IN A TEXT

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees de vraag: zoek je een verband, een verwijswoord of een volgorde?

  • 2. Zoek het woord: let op but, because, so, first, then, he, it, they, this.

  • 3. Lees de zinnen eromheen: vooral de zin ervoor en de zin erna.

  • 4. Probeer: zet jouw antwoord in de zin. Klopt de betekenis nog?

  • 5. Controleer: staat het ook echt zo in de tekst?

This item has no instructions

EXAMENSTOF ENGLISH · READING · LINKS IN A TEXT

Vraagtype 1: signaalwoorden

  • Vraag: 'Welk woord past op de open plek?'

  • Lees de zin voor en na de open plek.

  • Past een tegenstelling, een reden of een gevolg?

  • Kies het woord dat het verband laat zien.

This item has no instructions

EXAMENSTOF ENGLISH · READING · LINKS IN A TEXT

Tekst 4: School trip

(1) Class 3B goes to a museum on Friday. Everybody must bring lunch and a bottle of water.

(2) The trip is a bit expensive, but the school pays half. The students only pay 10 euros.

(3) The bus leaves at 08.30, so the students must be at school at 08.15. Mr Jansen says that nobody can be late, because the bus will not wait.

(4) At the museum the students see old coins, for example coins from Rome. They can also make a coin themselves.

Eigen tekst voor Examenstof

Fictieve klas en fictieve leraar. 'Coins' zijn munten, 'late' is te laat, 'wait' is wachten. Alle drie de signaalwoorden (but, so, because) komen voor, plus for example en also.

Welk woord past op de open plek in alinea 2?

The trip is a bit expensive, ... the school pays half.

A

because

B

for example

C

first

D

but

Het uitje is duur, maar de school betaalt de helft: een tegenstelling, dus but. Verwachte fout: because, omdat de halve prijs lijkt te passen bij duur. Maar de school betaalt niet omdat het duur is in deze zin, er staat een tegenstelling.

Waarom mag niemand te laat zijn? (alinea 3)

A

De leraar wordt boos

B

Het museum sluit vroeg

C

De reis is heel lang

D

De bus wacht niet

Na because staat de reden: the bus will not wait. De andere opties staan niet in de tekst. Verwachte fout: de leraar wordt boos, omdat dat logisch lijkt.

EXAMENSTOF ENGLISH · READING · LINKS IN A TEXT

Vraagtype 2: verwijswoorden

  • Vraag: 'Waar slaat het woord ... op?'

  • Zoek het woord in de tekst en kijk terug.

  • Let op: personen, zaken, enkelvoud, meervoud.

  • Zet jouw antwoord in de zin: klopt het nog?

This item has no instructions

EXAMENSTOF ENGLISH · READING · LINKS IN A TEXT

Tekst 5: An e-mail

(1) Hi Sam! Thanks for your message. My sister Ella plays in your school team. She says it is a very good team.

(2) Our club is looking for new players. The trainer, Mr Brown, wants to meet you and your friends. He is at the club every Tuesday evening.

(3) We have a new pitch. It is next to the river. Come and see it on Tuesday, and bring your boots. That is all you need.

(4) See you soon, Jack

Eigen tekst voor Examenstof

Fictieve e-mail van Jack aan Sam. 'Pitch' is veld, 'boots' zijn voetbalschoenen, 'club' is vereniging.

Waar slaat 'it' op?

She says it is a very good team.

A

Op de club van Jack

B

Op het schoolteam van Sam

C

Op het bericht van Sam

D

Op Ella, de zus van Jack

It staat voor het schoolteam: your school team. Ella is een persoon (she). Verwachte fout: de club van Jack, omdat club in alinea 2 staat.

Waar slaat 'That' op in alinea 3?

A

Dat het veld bij de rivier ligt

B

Dat Sam en zijn vrienden komen

C

Alleen je voetbalschoenen meenemen

D

Dat de club nieuwe spelers zoekt

That is all you need: dat is alles wat je nodig hebt, dus alleen de boots. Verwachte fout: dat het veld bij de rivier ligt, omdat dat de dichtstbijzijnde nieuwe informatie is.

EXAMENSTOF ENGLISH · READING · LINKS IN A TEXT

Vraagtype 3: volgorde

  • Vraag: 'Wat gebeurt er eerst?' of 'Zet op volgorde.'

  • Zoek first, then, after that, finally, before, while.

  • Schrijf de gebeurtenissen kort op in het echte tijdsverloop.

  • Een ordeningsvraag: zet de zinnen op volgorde.

This item has no instructions

EXAMENSTOF ENGLISH · READING · LINKS IN A TEXT

Tekst 6: A birthday cake

(1) Last week Nina made a cake for her mother's birthday. First she looked for a recipe on the internet. Then she went to the shop, because she had no eggs.

(2) At home she mixed the eggs, sugar and flour. After that she put the cake in the oven.

(3) While the cake was in the oven, Nina made a card. Finally, she took the cake out. Her mother loved it, but the cake was a bit too dark.

Eigen tekst voor Examenstof

Fictief meisje. 'Recipe' is recept, 'oven' is oven, 'card' is kaart, 'sugar' is suiker, 'flour' is bloem.

Zet op volgorde, wat doet Nina?

1

Nina gaat naar de winkel

2

Nina zoekt een recept

3

Nina zet de cake in de oven

4

Nina mengt de ingrediënten

5

Nina haalt de cake uit de oven

Volgorde: first (recept), then (winkel), at home (mengen), after that (oven), finally (eruit halen). Verwachte fout: de kaart toevoegen of mengen voor de winkel zetten.

Wat doet Nina terwijl de cake in de oven staat?

A

Ze maakt een kaart

B

Ze gaat naar de winkel

C

Ze zoekt een recept

D

Ze belt haar moeder

While de cake in the oven was, maakte Nina een kaart. While betekent terwijl: twee dingen tegelijk. Verwachte fout: naar de winkel gaan, wat eerder was.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Signaalwoorden

2

Verwijswoorden

3

Volgorde van gebeurtenissen

4

Een open plek invullen

This item has no instructions

EXAMENSTOF ENGLISH · READING · LINKS IN A TEXT

Tips voor op het examen

  • Lees eerst de vraag, dan pas de tekst.

  • Zoek de kleine woorden: but, because, so, first, then.

  • Bij een verwijswoord: kijk terug naar de zin ervoor.

  • Zet je antwoord in de zin. Klopt de betekenis nog?

  • Let op enkelvoud en meervoud: it is één ding, they is meer dan één.

  • Gebruik het woordenboek voor een woord dat je echt nodig hebt.

This item has no instructions