Voorzetsels

VOORZETSELS
- positie - beweging - tijd
- werkwoorden met vaste voorzetsels (LEREN!)
- met <-> zonder
1 / 34
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolISKvmbo kLeerjaar 1,2

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 35 min

Items in this lesson

VOORZETSELS
- positie - beweging - tijd
- werkwoorden met vaste voorzetsels (LEREN!)
- met <-> zonder

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Lezen
timer
10:00

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Leerdoelen
- Wat voorzetsels zijn;
- Wat vaste voorzetsels zijn. 
- Weer herhalen van de woordsoorten van vorig jaar

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Voorzetsels en 'waar'
Voorzetsels geven vaak informatie over waar iets is. 
Bijvoorbeeld: De kat zit op de tafel.

Slide 5 - Slide

Gebruik afbeeldingen om de locatie van verschillende objecten aan te geven en vraag leerlingen om zinnen te vormen met behulp van de juiste voorzetsels.
Voorzetsels en beweging
Voorzetsels geven ook informatie over beweging
Bijvoorbeeld: Hij loopt naar de supermarkt.

Slide 6 - Slide

Gebruik afbeeldingen om verschillende bewegingen aan te geven en vraag leerlingen om zinnen te vormen met behulp van de juiste voorzetsels.
Voorzetsels en tijd
Voorzetsels geven ook informatie over tijd
Bijvoorbeeld: Ik ga naar het strand op maandag.

Slide 7 - Slide

Gebruik de afbeeldingen om verschillende tijdsperiodes aan te geven en vraag leerlingen om zinnen te vormen met behulp van de juiste voorzetsels.

De afbeeldingen in deze slide zijn te vergroten.
Voorzetsels en 'wie'
Voorzetsels geven ook informatie over 'wie'. 
Bijvoorbeeld: Hij praat met zijn vriend.
Bijvoorbeeld: Zij is verliefd op haar.

Slide 8 - Slide

Gebruik afbeeldingen om verschillende personen aan te geven en vraag leerlingen om zinnen te vormen met behulp van de juiste voorzetsels.
Voorzetsels en bezit
Voorzetsels geven ook informatie over bezit
Bijvoorbeeld: Het boek is van haar.

Slide 9 - Slide

Gebruik afbeeldingen om verschillende objecten en personen aan te geven en vraag leerlingen om zinnen te vormen met behulp van de juiste voorzetsels.
Vaste voorzetsels
Sommigen woorden hebben een bijbehorend voorzetsel op de zin kloppend te maken. 
Bijvoorbeeld: Ik hoop op drie punten voor Arsenal

Slide 10 - Slide

Gebruik afbeeldingen om verschillende objecten en personen aan te geven en vraag leerlingen om zinnen te vormen met behulp van de juiste voorzetsels.
Welk voorzetsel hoort hierbij: Wij zitten ____ elkaar.
A
naar
B
naast
C
in
D
over

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Welk voorzetsel hoort hierbij: Ik loop ____ huis.
A
op
B
naar
C
onder
D
over

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

Welk voorzetsel hoort hierbij: De tas staat ____ de tafel.
A
in
B
met
C
onder
D
naar

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

antwoorden
bang zijn
beginnen
krijgen
zin hebben in
luisteren
naar
voor
op
met
van
in

Slide 14 - Drag question

This item has no instructions

Jesse begint elke ochtend om 9 uur ____ werken
A
over
B
bij
C
in
D
met

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Kies het juiste voorzetsel: De lerares staat ___ het bord.
A
achter
B
voor
C
in
D
op

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Welk voorzetsel hoort hierbij: Het toilet is ___ de gang.
A
in
B
met
C
achter
D
op

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Kies het passende voorzetsel: Ze telt ___ tien.
A
van
B
op
C
in
D
tot

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

Vul het juiste voorzetsel : Ik praat ____ mijn vriend.
A
naar
B
in
C
met
D
op

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Kies het juiste voorzetsel: Wij lopen ____ het park.
A
voor
B
naar
C
tussen
D
met

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Kies het juiste voorzetsel: Wij lopen ____ de bomen in het park.
A
voor
B
naar
C
tussen
D
met

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Kies het juiste voorzetsel: Dit jaar wil Nancy stoppen ____ roken
A
voor
B
naar
C
tussen
D
met

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Kies het juiste voorzetsel: Ahmed is ziek, dus kan ik dit boek ____ jou geven.
A
voor
B
naar
C
aan
D
met

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Kies het juiste voorzetsel: Roos wacht al bijna een half uur ____ haar trein.
A
op
B
naar
C
voor
D
met

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Kies het juiste voorzetsel: Ik heb zin ____ chocolade ijs.
A
met
B
naar
C
voor
D
in

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Kies het juiste voorzetsel: Mijn vriend vergelijkt zijn resultaten ____ mijn toetsresultaten.
A
bij
B
naar
C
voor
D
met

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

Kies het juiste voorzetsel: Roos wacht al bijna een half uur ____ haar trein.
A
op
B
naar
C
voor
D
met

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

Kies het juiste voorzetsel: Ik ben boos ____ mijn vriendin.
A
op
B
over
C
voor
D
met

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

Kies het juiste voorzetsel: Ik ben boos ____ de nieuwe regels op school.
A
op
B
over
C
voor
D
met

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

op
met
voor
naar
van
antwoorden
bang zijn
bedanken
beginnen
bezig zijn
luisteren
vergelijken
vinden
spreken
ruiken
smaken
houden

Slide 30 - Drag question

This item has no instructions

Werkblad opdracht 
Vul de juiste voorzetsels in de tekst. 

timer
10:00

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

Opdrachten maken
2.2 Voorzetsel, scheidbare werkwoorden
Deel 1: Woordsoort: Voorzetsel
10 opgaven

timer
10:00

Slide 32 - Slide

This item has no instructions

Leerdoelen
- Wat voorzetsels zijn;
- Wat vaste voorzetsels zijn. 
- Weer herhalen van de woordsoorten van vorig jaar

Slide 33 - Slide

This item has no instructions


Ik begrijp hoe ik voorzetsels kan gebruiken.
😒🙁😐🙂😃

Slide 34 - Poll

This item has no instructions