Oefentoets luisteren 4

Oefentoets luisteren
1 / 21
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Items in this lesson

Oefentoets luisteren

Slide 1 - Slide

Waarom heeft Emma het druk?

A
Ze heeft veel toetsen.
B
Ze heeft een bijbaan.
C
Ze helpt haar ouders.
D
Ze doet veel sport.

Slide 2 - Quiz

Wat zeggen haar ouders dat ze moet doen?

A
Harder werken.
B
Minder huiswerk maken.
C
Pauze nemen.
D
Meer sporten.

Slide 3 - Quiz

Wat vindt Emma moeilijk?

A
Goede cijfers halen.
B
Vroeg naar bed gaan.
C
Huiswerk maken.
D
Een pauze nemen.

Slide 4 - Quiz

Wat gaat ze doen na de toetsen?

A
Berichten sturen aan vrienden.
B
Een weekend weg met haar beste vriendin.
C
Werken.
D
Sporten.

Slide 5 - Quiz

Wat deed Noah vroeger vaak?

A
Gezonder eten
B
Fruit eten
C
Chips en koekjes eten
D
Sporten

Slide 6 - Quiz

Wat eet hij nu vaak?

A
Chips en koekjes
B
Hamburger
C
Friet
D
Fruit

Slide 7 - Quiz

Wat zegt Noah over het eten van zijn moeder?

A
Hij vindt het saai.
B
Hij vindt het lekker.
C
Hij kookt liever zelf.
D
Hij lust het niet.

Slide 8 - Quiz

Hoe reageren zijn vrienden?

A
Ze vinden dat hij goed voor zichzelf zorg.
B
Ze lachen om hem.
C
Zijn vrienden eten nu ook gezond.
D
Ze vinden hem saai.

Slide 9 - Quiz

Wat doet Lina op sociale media?

A
Filmpjes maken en delen.
B
Muziek luisteren.
C
Praten met vrienden.
D
Spelletjes.

Slide 10 - Quiz

Waarom voelt ze zich soms slecht?

A
Omdat ze geen likes krijgt.
B
Omdat ze maar drie uur per dag mag kijken.
C
Omdat mensen er perfect uitzien.
D
Omdat ze te weinig tijd heeft.

Slide 11 - Quiz

Wat doet ze om minder op haar telefoon te zitten?

A
Ze zet haar telefoon uit.
B
Ze verwijdert tiktok en insta.
C
Ze zet haar telefoon op stil.
D
Ze legt haar telefoon in een andere kamer.

Slide 12 - Quiz

Waarom legt Lina haar telefoon in een andere kamer?

A
Ze wil meer bewegen.
B
Ze wil beter slapen.
C
Ze wil minder scrollen.
D
Ze wil er beter uitzien.

Slide 13 - Quiz

Waar werkt Ravi?
A
In de supermarkt.
B
Bij de Action.
C
In een restaurant.
D
Op de markt.

Slide 14 - Quiz

Wat vindt hij spannend?
A
vakken vullen
B
de kassa
C
mensen helpen
D
met zijn baas praten

Slide 15 - Quiz

Wat doet hij met zijn loon?
A
Hij koopt kleren.
B
Hij koopt boeken.
C
Hij koopt games.
D
Hij koopt niks, hij spaart.

Slide 16 - Quiz

Wat zegt zijn baas?
A
Je moet harder werken.
B
Ik ben trots op je.
C
Je levert goed werk.
D
Je bent te laat.

Slide 17 - Quiz

Waar ging Sara naartoe?
A
naar Frankrijk
B
naar België
C
naar Duitsland
D
naar Engeland

Slide 18 - Quiz

Met wie ging Sara naar België.
A
met haar vriendinnen
B
met haar ouders
C
alleen
D
met haar zus

Slide 19 - Quiz

Wat deden ze toen het regende?
A
Ze bleven in het hotel.
B
Ze gingen naar een terras.
C
Ze gingen naar een museum.
D
Ze gingen naar een hostel?

Slide 20 - Quiz

Wat willen ze volgend jaar doen?
A
Naar België
B
Naar Frankrijk
C
Naar Duitsland
D
Naar Spanje

Slide 21 - Quiz