Surfen op het internet

Surfen op het internet
In deze interactieve powerpoint gaan jullie met behulp van filmpjes en opdracht de leerstof verwerken.
1 / 44
next
Slide 1: Slide
InformaticaMiddelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 1

This lesson contains 44 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Surfen op het internet
In deze interactieve powerpoint gaan jullie met behulp van filmpjes en opdracht de leerstof verwerken.

Slide 1 - Slide

Quiz
In deze interactieve powerpoint gaan jullie met behulp van filmpjes en opdracht de leerstof verwerken.

Slide 2 - Slide

Wat zie je ?
A
Pagina's
B
Zoekmachines
C
Browsers

Slide 3 - Quiz

Welke URL is juist?
A
zalando.be
B
www.zalando.be
C
www.zalando
D
zalando

Slide 4 - Quiz

Welk deel is aangeduid?
A
Zoekbalk
B
Favorieten
C
Navigatieknoppen
D
Adresbalk

Slide 5 - Quiz

Welk deel is aangeduid?
A
Zoekbalk
B
Favorieten
C
Navigatieknoppen
D
Adresbalk

Slide 6 - Quiz

Welk deel is aangeduid?
A
Zoekbalk
B
Navigatieknoppen
C
Favorieten
D
Adresbalk

Slide 7 - Quiz

In welke taal onthoudt een computergeheugen?
A
0 en 1
B
Letters
C
Streepjes
D
Vormen

Slide 8 - Quiz

Wat is het grootste?
A
1 KB
B
1 TB
C
1 GB
D
1 MB

Slide 9 - Quiz

Wat was je score?
Hoeveel vragen had je goed?

Slide 10 - Open question

Navigeren op het internet
Jullie hebben al een aantal onderdelen van deze les gezien.
Nu gaan we iets dieper hierop in.

Slide 11 - Slide

Een internetbrowser
Als je op het internet wilt, open je een browser.
Er zijn verschillende mogelijkheden zoals:
- Google Chrome
- Mozilla Firefox 
- Microsoft Edge            (vroeger 'Internet Explorer')
- Safari                                 (Mac computers)

Slide 12 - Slide

De adresbalk

In de volgende slide vind je een filmpje over de adresbalk.

Zorg dat je geluid aanstaat.

Slide 13 - Slide

0

Slide 14 - Video

URL
Een url is een uniek internet adres en bestaat uit 3 delen.

WWW.SMARTSCHOOL.BE

www = word wide web (wereldwijde web)
smartschool = eigennaam
.be = landcode of  exstentie (doel)

Slide 15 - Slide

Navigatieknoppen
De navigatieknoppen vind je bovenaan, links van de adresbalk.
Deze kun je gebruiken om je door de pagina's te sturen.

Op de volgende slide zie je de voorbeelden:

Slide 16 - Slide

Navigatieknoppen
Vorige/volgende pagina
pagina opnieuw laden (vernieuwen)
Naar de startpagina
  • Een pagina vernieuwen: kan je gebruiken als je pagina niet wilt laden. Of als er wijzigingen zijn om deze opnieuw te laden.
  • Naar de startpagina: als je het internet opent via een browser kom je uit op een bepaalde pagina. Dit is jouw startpagina. Deze kun je aanpassen.

Slide 17 - Slide

Navigatieknoppen
  • Vernieuwen = dezelfde pagina opnieuw laden.
  • Startpagina (icoon is niet bij iedereen te zien) deze pagina is de eerste pagina die je ziet als je een internetbrowser opent.

Slide 18 - Slide

favorieten
Vaak aangeduid met een sterretje.


Kijk volgend filmpje om te weten te komen hoe je een pagina/website tot jouw favorieten maakt.

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Video

Nu is het aan jou
Maak zelf een favoriete pagina aan.
Je mag zelf kiezen welke pagina.

Slide 21 - Slide

Geschiedenis

Je internetbrowser onthoudt welke websites je allemaal hebt bezocht. 
Deze kan je terug vinden bij instellingen               geschiedenis.
Of
De toetsen ctrl + H indrukken.

Nu zie je per dag per, uur welke website je hebt bezocht. 
Soms is dit gemakkelijk als je een goede/leuke website hebt gevonden maar niet meer weet hoe deze heet.

! DUS LET OP alles wat je doet op het internet wordt bewaard !

Slide 22 - Slide

Probeer het nu zelf

OF
ctrl + H

Slide 23 - Slide

Is het gelukt?
A
Ja
B
Nee

Slide 24 - Quiz

Besturingssystemen & toepassingsprogramma's
Dit zijn 2 voorbeelden van software.

  • Besturingssystemen = Het hoofdprogramma
      dat zorgt dat een computer of laptop werkt.
    Bijvoorbeeld: Windows 10
  • Toepassingsprogramma's = Dit zijn programma's waarmee
    ik taken kan uitvoeren.
    Bijvoorbeeld: Word        (tekstverwerking)
Software zijn items op je computer die je niet kan vastnemen
Hardware zijn items die  je kan vast nemen zoals het toetsenbord of de muis. 

Slide 25 - Slide

OPDRACHT:
In de volgende slide moet je de logo's naar het juiste vak slepen.

Is het logo een toepassingsprogramma
of een besturingssysteem.

Slide 26 - Slide

Windows 7
Excel (rekenblad)
MacOS
Spotify
Linux
Virusscanner
Google Chrome
Toepassingprogramma's
Besturingsystemen

Slide 27 - Drag question

Besturingssystemen
  • Windows 10 = laaste versie van het besturingsysteem voor windows computers
  • MacOS = besturingsysteem voor Apple
  • Linux = gratis besturingssysteem
Toepassingsprogramma's
  • Excel = rekenblad, waarin je formules kan gebruiken.
  • AVG = virusscanner om je pc te beveiligen.
  • Spotify = programma om muziek te beluisteren en afspeellijsten te maken. (gratis & betalend)
  • Google Chrome = een internetbrowser.

Slide 28 - Slide

Dataformaten 
Dataformaten ofwel bestandsextensie is het formaat waarin je bestand opslaat. 
Bijvoorbeeld: een foto wordt opgeslagen als .jpg
Je vindt de bestandsextensie achter de '.'

Slide 29 - Slide

OPDRACHT
Kijk op volgende afbeelding welke extensie gevraagd wordt. Duidt het juiste antwoord aan.

Slide 30 - Slide

Welk dataformaat heeft het Word-document?
A
.jpg
B
.xlsx
C
.pptx
D
.docx

Slide 31 - Quiz

Welk dataformaat heeft de Powerpoint-presentatie
A
.jpg
B
.xlsx
C
.pptx
D
.docx

Slide 32 - Quiz

Welk dataformaat heeft de afbeelding?
A
.jpg
B
.xlsx
C
.pptx
D
.docx

Slide 33 - Quiz

Welk dataformaat heeft het Excel-bestand?
A
.jpg
B
.xlsx
C
.pptx
D
.docx

Slide 34 - Quiz

Andere dataformaten
Bestand
Afbeelding
Extensie
Portable document format (PDF)
.pdf
Muziekbestand
.mp3
Videobestand
.mp4

Slide 35 - Slide

Eenheden
Een bestand heeft niet enkel een dataformaat maar ook een eenheid. Deze toont aan hoe groot een bestand is.

Bijvoorbeeld: mijn Word-bestand is 75kB
kB = kilobyte

Slide 36 - Slide

Geheugen
Om een bestand op te slaan moeten we plaats voorzien in het geheugen.

Een computergeheugen onthoud alles met bits en bytes.

Slide 37 - Slide

Bit & Byte
Computertaal bestaan uit '0' en '1'. dit noemen we dan 1 bit.
DUS       bit = 1 of 0 (niet beide, het kan slechts 1 teken zijn)

Een byte bestaat uit 8 tekens: een combinatie van 0 en 1.
bijvoobeeld de letter a in computertaal =  01100001

Slide 38 - Slide

Opdracht
Schrijf in de volgende slide het woord "bal" zoals je computergeheugen het zou doen.

Slide 39 - Slide

Schrijf het woord "BAL" zoals je geheugen het zou doen.
Type het woord 
bal
Help!
Het woord bal bestaat uit 3 bytes. (1 byte bestaat uit 8 bits)

Slide 40 - Open question

Eenhedentabel
In de tabel zie je de verschillende eenheden op volgorde.
 
Met enkele voorbeelden.

Slide 41 - Slide

Eenheden
De eenheden kan je vaak aflezen.
Bijvoorbeeld op een USB-stick staat 128 GB. Dit is de totale opslag capaciteit. Er kan maximum 128 GB
opgeslagen worden.

Slide 42 - Slide

Heb je nog vragen over deze les?
Stel ze hieronder.

Slide 43 - Open question

Tijd om te testen!
Ga naar de volgende link om te evaluatie in te vullen.

Slide 44 - Slide