Les 1, 13-09

Welkom
Aardrijkskunde klas 4

Naam: Mevrouw de la Court
1 / 24
next
Slide 1: Slide
AardrijkskundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 24 slides, with text slides.

Items in this lesson

Welkom
Aardrijkskunde klas 4

Naam: Mevrouw de la Court

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Planning
  • Kijk in it's learning!
  •  Tussentoets Weer & Klimaat = maandag 4 oktober.
  • Eindtoets Weer & Klimaat = Pww 1 -> 5-11-21 t/m 12-11-21

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Paragraaf 1.
 Wat is de samenhang tussen het weer en het klimaat? 
Je kent vijf belangrijke weerelementen en herkent deze in een weerbericht of op een weerkaart.
  1. Temperatuur
  2. Neerslag
  3. Wind
  4. Bewolkingsgraad
  5. Luchtdruk





                                                                                                                                                                                                     
Je kunt beschrijven hoe meteorologen een weersverwachting maken.
Satellieten, weerballonnen, meetapparatuur in weerstations ->
Computermodellen voorspellen het weer.


Slide 6 - Slide

This item has no instructions

  • Je kunt uitleggen wat de gevolgen zijn van te veel uv-straling op je huid.
  • Uv-straling = Ultraviolette Straling -> schadelijk, kan je huidkanker van krijgen.

  • Je kunt uitleggen waarom in een weersverwachting vaak ook de zonkracht (UV-index) wordt genoemd.
  • Doordat we nu meer kennis hebben over het ontstaan van huidkanker.

  • Je kunt het verband uitleggen tussen de bewolkingsgraad en de zonkracht (uv-index).

  • Zonkracht = een maat voor de hoeveelheid Uv-straling in het zonlicht die de aarde bereikt (schaal 1 – 8). Hoe meer wolken, hoe minder Uv-stralingen de aarde bereiken.



Slide 7 - Slide

This item has no instructions


  • Je kunt overeenkomsten en verschillen noemen tussen weer en klimaat.
Het weer speelt zich af in de dampkring (atmosfeer). 
Het is de toestand van de atmosfeer op een bepaald moment, in een bepaald gebied.
Het klimaat  is het gemiddelde weer over een langere periode (dertig jaar) in een bepaald gebied.

  • Je kunt een klimaatgrafiek aflezen.
Klimaten zijn ingedeeld op basis van de weerelementen temperatuur en neerslag.
Het gaat om de gemiddelde temperatuur in de koudste                                                        en de warmste maand                                                                                                                      + de totale gemiddelde neerslag over een jaar.



Slide 8 - Slide

This item has no instructions

  •  Je kunt het verband uitleggen tussen de gemiddelde temperatuur in de warmste en koudste maand, de gemiddelde hoeveelheid neerslag in een jaar en de planten en dieren die voorkomen in een gebied.

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

  • Je kunt vijf klimaatfactoren noemen en beschrijven.
  1. Breedteligging
  2. Hoogteligging
  3. Gesteldheid van het aardoppervlak
  4. Afstand tot zee of ander groot wateroppervlak
  5. Wereldwijde wind en oceaanstromingen


  • Je kunt van elke klimaatfactor uitleggen hoe deze de gemiddelde temperatuur en neerslag in een gebied beïnvloedt.

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

1. Breedteligging 
Leggen de zonnestralen een langere weg af en verwarmt het een groter oppervlak dan is het minder warm!
Maar! Ook door de stof en wolken in de lucht geven schuinen stralen minder warmte af.

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

2. Hoogteligging

Slide 12 - Slide

Oorzaak:
De zonnestralen geven pas warmte af wanneer ze op het aardoppervlak vallen.
Het opgewarmde oppervlak straalt vervolgens zelf de warmte uit. Deze stralen verwarmen de lucht.

3. Gesteldheid van het aardoppervlak
Landoppervlak warmt sneller op dan een zee of oceaan, maar koelt ook sneller af.

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

4. Afstand tot zee of ander groot wateroppervlak


Aanlandige wind (wind vanaf zee):
In de zomer wordt het minder warm (verkoeling) en in de winter minder koud.

Aflandige wind (wind vanaf het land):
In de zomer wordt het warmer en in
de winter kouder.





Slide 14 - Slide

This item has no instructions

5. Wereldwijde wind en oceaanstromingen
  • Als wind boven zee langdurig uit één richting waait, gaat het zeewater stromen = zeestromen.
  • Zeestromen kunnen warm zeewater uit de tropen naar de poolstreken voeren (en andersom).
  • Een zeestroom heeft invloed op de gemiddelde temperatuur op het land.


Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Klimaatverandering

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Nu

  • Maak de examentraining 
  • Start met de samengevat opdracht 

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Luchtdruk en wind

  • De luchtdruk = De kracht die het gewicht van de lucht in de  atmosfeer uitoefent op het aardoppervlak. 
  • Meten met een barometer in hectopascal (hPa)
    ->weergeven met isobaren: lijnen die plaatsen met gelijke luchtdruk verbinden.

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Luchtdruk en wind
  • Luchtcirculatiesysteem:
- plaats waar lucht opstijgt:
lagedrukgebied / minimum (L)
- plaats waar lucht daalt:
hogedrukgebied / maximum (H)
  • wind: verplaatst lucht over het aardoppervlak van hoge- naar lagedrukgebieden

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Soorten neerslag
  • Neerslag ontstaat in gebieden waar (warme) lucht opstijgt.
  • Situatie 1: stijgingsneerslag
  • warme lucht stijgt op
  • koelt af
  • er ontstaan wolken
  • er valt neerslag 
  • Vooral in de tropen


Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Soorten neerslag
  • Neerslag ontstaat in gebieden waar (warme) lucht opstijgt.
  • Situatie 2: frontale neerslag
  • warme en koude lucht botsen
  • de warme lucht stijgt snel op
  • koelt af
  • er ontstaan wolken
  • er valt neerslag
  •  Vaak in Nederland


Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Soorten Neerslag
  • Neerslag ontstaat in gebieden waar (warme) lucht opstijgt.


  • Situatie 3: stuwingsneerslag
  • windkant gebergte = loefzijde
  • niet windkant gebergte = lijzijde / regenschaduw

  • Lij = blij 
  • Loef = droef

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Nu
Online zelftoets H1
Klaar? ga verder met de samengevat opdracht.

Slide 24 - Slide

This item has no instructions