K4 - Grammatik A + B

K4 - Grammatik A + B
trappen van vergelijking + woorden van vergelijking
1 / 18
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

K4 - Grammatik A + B
trappen van vergelijking + woorden van vergelijking

Slide 1 - Slide

Lernziele dieser Stunde
  • Du kennst die Grundregeln und weißt, wie man die Steigerungsformen erstellt.
  • Du kannst die Vergleichswörter übersetzen und korrekt im Deutschen anwenden.

Slide 2 - Slide

Huh? Wie?

Slide 3 - Slide

Trappen van vergelijking
Komparation
Positiv, Komparativ & Superlativ

Slide 4 - Slide

De drie trappen
De stellende trap - der Positiv
- klein
De vergrotende trap - der Komparativ
- kleiner
De overtreffende trap - der Superlativ
- kleinst OF am kleinsten

Slide 5 - Slide

De drie trappen met stam op klinker of -d/-t
De stellende trap - der Positiv
- neu
De vergrotende trap - der Komparativ
- neuer
De overtreffende trap - der Superlativ
- am neuesten

Slide 6 - Slide

De drie trappen met klinker a, u of o in de stam
De stellende trap - der Positiv
- alt
De vergrotende trap - der Komparativ
- älter
De overtreffende trap - der Superlativ
- am ältesten

Slide 7 - Slide

Woorden van vergelijking
Als je personen, dieren of dingen met elkaar wilt vergelijken:
gelijk aan elkaar: in het nl met als
- Er ist (genauso) schnell wie ich.
gelijk aan elkaar: in het nl met even
- Sie sind gleich schnell.
niet gelijk aan elkaar: in het nl met dan
- Er ist schneller als ich.

Slide 8 - Slide

Übung macht den Meister!

Slide 9 - Slide

de trappen van vergelijking: lieb
A
lieb - lieber - liebsten
B
lieb - lieber - am liebsten
C
lieb - lieber - liebest

Slide 10 - Quiz

trappen van vergelijking: weit
A
weit - weiter - weitesten
B
weit - weiter - weitsten
C
weit - weiter - am weitesten

Slide 11 - Quiz

maak de trappen van vergelijking van:
klein

Slide 12 - Open question

maak de trappen van vergelijking van:
groß

Slide 13 - Open question

maak de trappen van vergelijking van:
neu

Slide 14 - Open question

Du bist genauso groß _____ (als) ich.

Slide 15 - Open question

Die Jungs laufen _____ (even) schnell.

Slide 16 - Open question

Du bist größer _____ (dan) ich.

Slide 17 - Open question

Gibt es noch Fragen?

Slide 18 - Slide