Spelling - (mede)klinkers, klanken en klankgroepen

Spelling 
Klinkers, medeklinkers, korte & lange klanken en klankgroepen. 

1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Spelling 
Klinkers, medeklinkers, korte & lange klanken en klankgroepen. 

Slide 1 - Slide

Lesdoel
Ik kan:
  • korte & lange klanken herkennen
  • woorden splitsen in klankgroepen

Ik weet:
  • wanneer ik een letter weg moet halen
  • wanneer ik een tweelingletter moet
    gebruiken


Slide 2 - Slide

KLINKERS EN MEDEKLINKERS

Ons alfabet bestaat uit twee soorten letters:

klinkers en medeklinkers.


Om goed te kunnen spellen is het belangrijk om te weten welke letters de klinkers en welke de medeklinkers zijn.


Slide 3 - Slide

De klinkers zijn rood, de medeklinkers zijn blauw.


Slide 4 - Slide

KORTE EN LANGE KLANKEN


Met klinkers kun je korte en lange klanken maken. 






Slide 5 - Slide

KORTE KLANK


Als je het woord hardop zegt, en je hoort een korte klank, 

dan schrijf je maar één klinker:


bank - bed - post - put - vis





Slide 6 - Slide

LANGE KLANK


Als je het woord hardop zegt, en je hoort een lange klank, 

dan schrijf je  twee klinkers


kaart - feest - boot - vuu





Slide 7 - Slide

KORTE & LANGE KLANK

Sommige woorden hebben een korte én een lange klank


lantaarn -  - kantoor - alleen





Slide 8 - Slide

paal
A
korte klank
B
lange klank

Slide 9 - Quiz

vis
A
korte klank
B
lange klank

Slide 10 - Quiz

klop
A
korte klank
B
lange klank

Slide 11 - Quiz

vuur
A
korte klank
B
lange klank

Slide 12 - Quiz

groot
A
korte klank
B
lange klank

Slide 13 - Quiz

fles
A
korte klank
B
lange klank

Slide 14 - Quiz

deeg
A
korte klank
B
lange klank

Slide 15 - Quiz

Korte of lange klank?

Slide 16 - Slide

Klankgroepen
Een woord kun je in stukje verdelen. 
Ieder stukje is een klankgroep. 
Een woord kan uit één of meer klankgroepen bestaan. 
In alle klankgroepen zit een lange of een korte klank. 


Slide 17 - Slide

Hoe doe je dat? 
1. Luister naar het woord in je hoofd (bv 'regen')
2. Hak het woord in klankgroepen. 
Hoor je aan het eind van de eerste klank een korte klank? > Dan schrijf je een extra medeklinker. 
Bijvoorbeeld: kippen / ki - pen / kippen
Hoor je aan het eind van de eerste klankgroep een lange klank? > Dan schrijf je een maar één klinker. 
bijvoorbeeld: regen / ree -gen / regen

Slide 18 - Slide

De a in 'hamer' klinkt als
A
een lange klinker
B
een korte klinker

Slide 19 - Quiz

De u in 'muggen' klinkt als
A
een lange klinker
B
een korte klinker

Slide 20 - Quiz

De o in 'spotten' klinkt als
A
een lange klinker
B
een korte klinker

Slide 21 - Quiz

De e in 'wezen' klinkt als
A
een lange klinker
B
een korte klinker

Slide 22 - Quiz

De a in 'bijna' klinkt als
A
een lange klinker
B
een korte klinker

Slide 23 - Quiz

De a in 'wangen' klinkt als
A
een lange klinker
B
een korte klinker

Slide 24 - Quiz

Klankgroepen maken 
We gaan oefenen met klankgroepen maken. 

Slide 25 - Slide

regen
A
re-gen
B
reg-en

Slide 26 - Quiz

hagelslag
A
hagel - slag
B
ha -gel -slag
C
ha-gelslag

Slide 27 - Quiz

waterkraan
A
wa-ter-kraan
B
water-kraan
C
wat-erkraan

Slide 28 - Quiz

Maak nu hoofdstuk 4 van je werkboekje.

Slide 29 - Slide