Thema 2 BS 1 t/m 8

Thema 2 
Voeding en vertering
1 / 24
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 24 slides, with text slides.

Items in this lesson

Thema 2 
Voeding en vertering

Slide 1 - Slide

2.1 deel 1: voedingsstoffen
verschil voedingsmiddel/voedingsstoffen

verschil schijf van 5/6 groepen voedingsstoffen

4 verschillende functies/6 groepen voedingsstoffen

zorg dat je weet welke functies deze 6 hebben

Slide 2 - Slide

(Nieuwe) Schijf van 5

Voedingspiramide

Slide 3 - Slide

2.1 deel 2 essentiële voed.stoffen
verschil ess. voedingsstoffen/niet ess. (waar gemaakt?)
welke zijn essentieel?
NB vitamine D kan lichaam zelf maken oiv zon
vit K kan lichaam zelf niet maken, maar de bact in je di da
vit A kan lichaam maken indien via voeding Betacaroteen binnen komt
vit C en B moet je via voeding binnen krijgen

Slide 4 - Slide

Voedingsstoffen en hun functie
Vitamines (Bouwstof, Beschermende stof)

Bij een tekort aan vitamines zal je ziek worden. Het is niet zo dat je alle vitamines uit groente en fruit komen. Sommige zitten in bijvoorbeeld vlees of vis. Zorg daarom dat je gevarieerd eet!

Slide 5 - Slide

Energie
behoefte

Kilojoule
(Kj)

Kilocalorie
(kcal)

Slide 6 - Slide

2.1 deel 3 energie
eenheden: energie uit brandstof: Kilojoule KJ en Kcal 
verschil Kj en Kcal? (zie ook 2.4)

je moet een berekening kunnen maken, oefen opgaven

hetzelfde geldt voor BMI: gewicht/lengte x lengte
vergeet de eenheden niet te vermelden

Slide 7 - Slide

Kilocalorie naar kiloJoule
1 kcal = 4.2 kJ

Slide 8 - Slide

2.2 deel 1 vertering
taak verteringsstelsel: opn. van voed.st. door darmwand->   bloed -> opname in cellen (voed.stof. nodig om te funct.)

vertering= grotere voedingstoffen afbreken tot kleinere verteringsproducten
2 stappen: 1 kauwen (kleiner)
2 vert.sappen breken af tot kleinere vert.prod. = chem vert.


Slide 9 - Slide

2.2 deel 2 mech. vertering
mechanische vertering= (taak v) kiezen malen eten fijn (beter doorslikken en oppervlakte vergroting)

plooikiezen

Slide 10 - Slide

2.2 deel 3 opname darmwand
welke stoffen kunnen direct worden opgenomen en welke niet?
niet direct opgenomen, betekent : EERST verteren dan opn.

directe opname in darmwand zonder vertering: 
glucose, mineralen, water, vitaminen
eerst vertering dan opname:
eiwitten, meeste koolhydraten (suiker, zetmeel), vetten

Slide 11 - Slide

2.2 deel 4 enzymen

Slide 12 - Slide

Je kunt de functie van vertering, verteringssappen en enzymen beschrijven. 

Verteringssappen
Verteringssappen helpen bij het chemisch verkleinen van de voedingsstoffen tot verteringsproducten. 

Verteringssappen bevatten enzymen.

Enzymen versnellen een chemische reactie zonder daarbij zelf te veranderen.  

Niet elk enzym past op elke voedingsstof. ze hebben dus specifieke functies. (Sleutel-slot principe).

De verteringssappen worden in verteringsklieren gemaakt: speekselklieren-maagsapklieren-lever-alvleesklier-darmsapklieren

2.2 deel 5 enzymen

Slide 13 - Slide

2.2 deel 6 darmperistaltiek
darmperistaltiek:
bewegen van de darmwand
door kring- en lengtespieren
trekken afwisselend samen/ontspannen
doel:
kneden voedselbrij, vermengen met verteringssappen, voortduwen in de darm

Slide 14 - Slide

2.3 deel 1 organen vertering
organen voor vertering: slokdarm: darmperistaltiek
maag: spieren/tijd. opslag/kneden +vermengen met maagsap 
lever: maakt gal, maakt niet ess voedingsstoffen
12 ving.darm: hier komt gal en alvleeskliersap erbij
dunne darm: darmsap en opname ook van water, peristaltiek
dikke darm: resorptie water:indikken, vertering door bact. peristaltiek
blinde darm: geen func. bij vert. wel opslag bact.
endeldarm: tijdelijke opslag
(functie huig en stottenklepje!)

Slide 15 - Slide

23. deel 2 verteringssappen
speeksel: water, slijm (glijbaar), enzymen (vertering zetmeel)
maagsap: zoutzuur, water, enzymen (vertering eiwitten)
lever: gal: geen vertering!! wel emulgeren: opp. vergroting
alvleeskliersap: enzymen (vertering eiw.,koolh. en vetten)
dunnedarmsap: vertering koolh. en eiwitten
dikke darm: vertering door bacteriën van plantaardig voedsel

Slide 16 - Slide

2.4 deel 1
Berekeningen, zie 2.1
Wat is ADH?

Slide 17 - Slide

2.4 deel 2 eetstoornissen
1: anorexia nervosa: te weinig eten, bang om dik te worden
2: boulimia nervosa: bang dik, te weinig eten, eetbuien, lax.
3: eetbuistoornis: eetbuien, geen braken, geen lax., obesitas

weet wat de overeenkomsten en verschillen zijn

Slide 18 - Slide

2.5 deel 1 conserveren
conserveren: bescherming tegen aantasting door...
hoe: invriezen, drogen, pasteuriseren, steriliseren, vacuum, gas, conserveermiddel toevoegen (suiker, zout, zuur, stikstof, sulfiet)
zorg dat je de overeenkomsten en verschillen weet
invloed op groei bact en schimmels: temp, vocht, voedsel, O2, stoffen zoals suiker enz

Slide 19 - Slide

2.5 deel 2 additieven
additief = toevoeging aan voedingsmiddel
voorbeeld: een conserveermiddel
kleur/geur/smaak
hierdoor of langer houdbaar (suikers, azijn, zout,...)
of aantrekkelijker (kleurstof)

Slide 20 - Slide

2.6 planteneter
schedel: kaak:
flinke snij, geen hoek, veel plooi, grote tong
schedel: ogen:
ogen aan zijkanten
lijf: log, lange darmen, renspieren, meer uithoudingsvermogen, lange darmen
vleeseter
schedel: kaak:
bovenkaak breder dan onderkaak
kleine snij, grote hoek, knipkiezen
schedel: ogen: voor in hoofd
lijf: slank, soepel, darmen kort, sprintspieren, minder uith.ver., korte darmen

Slide 21 - Slide

2.6 kiezen

Slide 22 - Slide

2.7
weet het verschillen/overeenkomsten 
 vegatariër, veganist en flexitariër
vegetariër: geen vlees, redenen divers
veganist: geen dierlijke producten
flexitariër: af en toe geen vlees
voordelen en nadelen wel/geen vlees eten

Slide 23 - Slide

2.8
verschillen THT en TGT
wat is een bewaarvoorschrift
wat zijn E nummers

Slide 24 - Slide