Werken aan Nederlands - Werkwoordspelling 2 - Hoofdstuk 1 Herhaling werkwoordspelling 1

 Hoofdstuk 1 
Herhaling werkwoordspelling 1
1 / 12
next
Slide 1: Slide
SpellingPraktijkonderwijsLeerjaar 2

This lesson contains 12 slides, with text slides.

Items in this lesson

 Hoofdstuk 1 
Herhaling werkwoordspelling 1

Slide 1 - Slide

Doel
Je herhaalt werkwoordspelling 1
Je herhaalt tegenwoordige tijd (TT) en verleden tijd (VT)

Je herhaalt ik-vorm / hij-vorm

Slide 2 - Slide

Wat zijn werkwoorden?
Werkwoorden zijn woorden die je kan doen. Ze worden ook wel doe-woorden genoemd.

Bijvoorbeeld:
Lopen, fietsen, roepen, rennen, etc.

Slide 3 - Slide

Doel
Je herhaalt tegenwoordige tijd (TT) en verleden tijd (VT)

Slide 4 - Slide

Tegenwoordige tijd
De tegenwoordige is nu of moet nog gebeuren. Je kan het herkennen aan woorden als: Vandaag, morgen, nu, heden, etc.

Voorbeeld:
Vandaag hebben we een les werkwoordspelling.
Morgen ga ik naar de bioscoop

Slide 5 - Slide

Verleden tijd
De tegenwoordige is gebeurd of geweest. Je kan het herkennen aan woorden als: Gisteren, vorige (week), afgelopen (zondag), etc.

Voorbeeld:
Gisteren at ik patat .
Afgelopen maandag hadden we een vergadering.

Slide 6 - Slide

Doel
Je herhaalt ik-vorm / hij-vorm

Slide 7 - Slide

Ik-vorm 
De Ik-vorm gaat over ik. Deze vorm wordt in de volgende stappen gemaakt.

1) Haal van het hele werkwoord -en af. (stam)
2) Controleer of het goed geschreven is.

Slide 8 - Slide

Ik-vorm 
Voorbeeld:


fietsen
roepen
Ik fiets
Ik roep
lopen
graven
Ik lop        X
Ik grav              X
Ik loop      V
Ik graaf            V

Slide 9 - Slide

Hij-vorm 
De hij-vorm gaat over hij, maar ook over zij. Deze vorm wordt in de volgende stappen gemaakt.

1) Maak de ik-vorm / stam
2) Ik-vorm + t / stam +t

Slide 10 - Slide

Hij-vorm 
Voorbeeld:


fietsen
roepen
Ik fiets
Ik roep
Hij fietst
Hij roept

Slide 11 - Slide

Hij-vorm 
Voorbeeld:


lopen
graven
ik lop        X
Ik grav            X
Ik loop      V
Ik graaf           V
Hij loopt
Hij graaft

Slide 12 - Slide