TC A2 3.6: scheidbare werkwoorden

Scheidbaar werkwoord


Deze hond vindt het niet leuk dat we hem uitlachen!
1 / 26
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 2

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Scheidbaar werkwoord


Deze hond vindt het niet leuk dat we hem uitlachen!

Slide 1 - Slide

Lesdoel

Na deze les kunnen jullie zinnen
maken met scheidbare werkwoorden.

Slide 2 - Slide

Wat gaan we vandaag doen?

  • Toets/zelfstandig werken
  • Zoek je maatje
  • Herhalen van de theorie van scheidbare werkwoorden
  • Zinnen maken met scheidbare werkwoorden
  • Interview
  • lied
  • evt Journaal in makkelijke taal

Slide 3 - Slide

Toets

A2
-Ahmad A. 1
-Boushra 3
-Raslan 7
B1
-Ahmad

Slide 4 - Slide

Zoek je maatje

Zoek het juiste plaatje bij het juiste woord
 
                                          

 

opstaan

Slide 5 - Slide

Het scheidbare werkwoord

Deze hond vindt het niet leuk dat we hem uitlachen!

uitlachen      =   lachen  +  uit

scheidbaar             werkwoord + voorzetsel
werkwoord

Slide 6 - Slide

Wat is een scheidbaar werkwoord?
Een scheidbaar werkwoord heeft 2 woorden:
een werkwoord en een ander woord. Meestal is dit een voorzetsel.

schoonmaken = schoon  + maken 
     aankomen    = aan          + komen
       nadenken   = na             + denken

Slide 7 - Slide

Is het werkwoord
scheidbaar

JA of NEE?

Slide 8 - Slide

Noem 3 scheidbare
werkwoorden

Slide 9 - Mind map

Hoe gebruik je een scheidbaar werkwoord?
Je schrijft eerst wie/wat (onderwerp). Dan het werkwoord dat je  aanpast aan de wie/wat. Het andere woord staat op de laatste plaats in de zin:

Ik               maak        de keuken         schoon.
De trein  komt        om 10:00 uur   aan.
Wij            denken   eerst                    na. 

Slide 10 - Slide

Ik ........ een briefje voor mijn moeder ..... (ophangen)

Slide 11 - Open question

Zij ....... haar vriend vanavond ......
(opbellen)

Slide 12 - Open question

Ik ....... mijn kinderen bij school ......
(ophalen)

Slide 13 - Open question

Pim ....... het lesje uit het boek ......
(overschrijven)

Slide 14 - Open question

Zij ....... hun vrienden voor morgen ......
(uitnodigen)

Slide 15 - Open question

Twee werkwoorden in de zin?
Dan schrijf je het scheidbare werkwoord als één woord. Het eerste werkwoord pas je aan aan de wie/wat. Het scheidbare werkwoord staat op de laatste plaats in de zin. 

Hij  moet  de pannenkoeken  omdraaien.
Ik  kan  de spullen morgen  opsturen.
Het meisje mag  de weg  oversteken.

Slide 16 - Slide


De jongen - in bed
(moeten - overgeven)
Maak een goede zin met de zinsdelen
A
De jongen geeft moet over in bed.
B
De jongen geeft over moet in bed.
C
De jongen moet in bed overgeven.
D
De jongen moeten geven over in bed.

Slide 17 - Quiz


Hanna - de moeilijke som
(willen - uitleggen)
Maak een goede zin met de zinsdelen
A
Hanna wil uitleggen de moeilijke som
B
Hanna wil de moeilijke som uitleggen.
C
De moeilijke som uitleggen wil Hanna.
D
Hanna wil uitleggen de moeilijke som.

Slide 18 - Quiz


Het kind - de appel
(zullen - opeten)
Maak een goede zin met de zinsdelen.
A
Het kind zal de appel opeten.
B
Het kind de appel zal opeten.
C
Het kind zullen de appel opeten.
D
Het kind de appel zullen opeten.

Slide 19 - Quiz


Hanna - morgen - lekker
(mogen - uitslapen)
Maak een goede zin met de zinsdelen.
A
Hanna mag morgen lekker uitslapen.
B
Hanna mag uitslapen lekker morgen.
C
Hanna mogen morgen lekker uitslapen.
D
Hanna mag lekker uitslapen morgen.

Slide 20 - Quiz


De tram - om 1 uur
(zullen - terugkomen)
Maak een goede zin met de zinsdelen.
A
De tram zal terug om 1 uur komen.
B
De tram zul om 1 uur terug komen.
C
Terug zal de tram om 1 uur komen.
D
De tram zal om 1 uur terugkomen.

Slide 21 - Quiz

Maak zelf een zin met deze werkwoorden:

Slide 22 - Slide

Interview met scheidbare ww
Hoe laat sta je op?
Wat doe je daarna? (wakker maken)
Wanneer ga je weg? 
Wat doe je overdag? (afspreken)
Hoe laat kom je thuis?
Wat ruim of was je op?
Ga je 's avonds uit?

Hoe laat ga je naar bed?
B1: maak gebruik van bijzinnen.
Ik sta vroeg op omdat......

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Video

scheidbare werkwoorden
klaarstaan
inhalen
afgaan
aantrekken 
volhouden
uitsloven
tekeergaan
opgeven
afmaken
doorgaan
vooruitgaan
voorzetten
aankomen
uitputten
uithouden

Slide 25 - Slide





Hard gewerkt!

Goed gedaan!

Slide 26 - Slide