2.1 Hoe geef jij je geld uit?

Verwachtingen vandaag!

  • Mijn boek ligt open op paragraaf: 2.1 blz. 44 

  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, schrift, etui en rekenmachine.

  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op

  • Als de docent praat ben ik stil

  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen

1 / 16
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEconomieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

This lesson contains 16 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Verwachtingen vandaag!

  • Mijn boek ligt open op paragraaf: 2.1 blz. 44 

  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, schrift, etui en rekenmachine.

  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op

  • Als de docent praat ben ik stil

  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen

H2 Geld genoeg?

Paragraaf 2.1 Hoe geef jij je geld uit?

Voorkennis

Waar denk jij aan bij uitgaven?

Leerdoelen vandaag

  • Je weet welke verschillende soorten uitgaven er zijn.

  • Je kunt een budgetplan opstellen.

  • Je kunt een reservering berekenen.

  • Je weet welke gevolgen jouw bestedingen hebben voor anderen.

Soorten uitgaven

  • Het Nibud geeft voorlichting over verstandig omgaan met geld.

  • Het helpt mensen om hun inkomsten en uitgaven in balans te houden.

  • Uitgaven worden verdeeld in drie soorten:

  • Dagelijkse uitgaven: uitgaven die regelmatig terugkomen, zoals boodschappen.

  • Vaste lasten: uitgaven die je met vaste regelmaat betaalt, zoals huur, hypotheek of abonnementen.

  • Incidentele uitgaven: grotere uitgaven die niet vaak voorkomen.

Voordoen

Slide tekst

Zelf oefenen

Begroting

  • Om te controleren of je genoeg geld hebt, maak je een begroting.

  • Een begroting is een overzicht van alle verwachte inkomsten en uitgaven.

  • Zijn inkomsten en uitgaven gelijk? Dan is de begroting in balans.

  • Zijn de uitgaven hoger dan de inkomsten? Dan ontstaat er een begrotingstekort.

  • Zijn de inkomsten hoger dan de uitgaven? Dan ontstaat er een begrotingsoverschot.

  • Inkomsten en uitgaven vergelijk je vaak per dezelfde periode, bijvoorbeeld per week, per maand of per jaar.

Voordoen + zelf oefenen

Reserveren

  • Voor een grote uitgave, zoals een vakantie of een laptop, kun je geld reserveren.

  • Reserveren betekent dat je regelmatig een bedrag opzijzet.

  • Zo voorkom je dat je in één keer een groot bedrag moet betalen.

  • Door elke maand te sparen, kun je een toekomstige uitgave betalen zonder geldtekort.

Voordoen + Zelf oefenen

Maak het verschil met je geld

  • Met je geld maak je keuzes tussen uitgeven of sparen.

  • Het is belangrijk om te weten waar je geld naartoe gaat.

  • Je kunt ook letten op de invloed van je geld op mensen en het milieu.

  • Banken gebruiken spaargeld om leningen te verstrekken.

  • Door bewust te kiezen bij welke bank je spaart, kun je bijdragen aan een duurzamere wereld.

  • Sommige banken investeren bijvoorbeeld in groene energie en eerlijke handel.

Voordoen + Zelf oefenen

Aan het werk!

Maken opdrachten 2.1: 1, 3, 7 en 10 

Maken Rekenopdrachten: 2, 3 en 5

Klaar?

Laten checken bij docent, bij goedkeuring nakijken.

Klaar?  Werk laten zien aan docent.

Veel fout? -> Maken herhalingsopdrachten 2.1

Veel goed? -> Maken plusopdrachten 2.1 


 


10

minute

00

second

Leerdoelen checken

  • Je weet welke verschillende soorten uitgaven er zijn.

  • Je kunt een budgetplan opstellen.

  • Je kunt een reservering berekenen.

  • Je weet welke gevolgen jouw bestedingen hebben voor anderen.