This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 45 min
Items in this lesson
Meerkeuzevragen
Geef bij de volgende vragen aan of de bewering
juist of onjuist is. Antwoord met ja of nee.
Slide 1 - Slide
1. Hebben windbloemen nectar?
A
Ja
B
Nee
Slide 2 - Quiz
2. Ontstaat stuifmeel in de stuifmeelbuis?
A
Ja
B
Nee
Slide 3 - Quiz
3. Is een sinaasappel het ZAAD dat ontstaat uit sinaasappelbloesem?
A
Ja
B
Nee
Slide 4 - Quiz
4. Is de stempel een deel van de stamper van een bloem?
A
Ja
B
Nee
Slide 5 - Quiz
5. Geeft het cijfer 3 in deze afbeelding een MANNELIJK voortplantingsorgaan aan?
A
Ja
B
Nee
Slide 6 - Quiz
6. Kan er op plaats 2 BESTUIVING plaatsvinden?
A
Ja
B
Nee
Slide 7 - Quiz
7. Kan er op plaats 3 BEVRUCHTING plaatsvinden?
A
Ja
B
Nee
Slide 8 - Quiz
8. Heet de VROUWELIJKE voortplantingscel van dieren een eicel?
A
Ja
B
Nee
Slide 9 - Quiz
9. Beschermen de kelkbladeren de bloemknop?
A
Ja
B
Nee
Slide 10 - Quiz
10. Komt er bij BESTUIVING stuifmeel op de stijl van de stamper?
A
Ja
B
Nee
Slide 11 - Quiz
11. Zijn bloemen organen van een plant?
A
Ja
B
Nee
Slide 12 - Quiz
12. Ontstaat er uit elke BEVRUCHTE eicel een kiem?
A
Ja
B
Nee
Slide 13 - Quiz
13. Vindt er bij mensen voortplanting met bevruchting plaats?
A
Ja
B
Nee
Slide 14 - Quiz
14. Zijn de bloemen bij insectenbloemen groot?
A
Ja
B
Nee
Slide 15 - Quiz
15. Maken bijen van nectar honing?
A
Ja
B
Nee
Slide 16 - Quiz
16. Kan stuifmeel door insecten en de wind worden overgebracht?
A
Ja
B
Nee
Slide 17 - Quiz
Meerkeuzevragen
Beantwoord de volgende meerkeuzevragen.
Beantwoordt met A, B, C of D.
Slide 18 - Slide
17. In de afbeelding is een bloem getekend.
Wat is de taak van deel P in deze afbeelding?
A
Het vormen van eicellen.
B
Het vormen van stuifmeelkorrels.
C
Het beschermen van de bloem in de knop.
D
Het aanlokken van insecten.
Slide 19 - Quiz
18. Bekijk de afbeelding en lees de stellingen hieronder.
Stelling 1: Deel P in de afbeelding is groen gekleurd. Stelling 2: Deel Q in de afbeelding is groen gekleurd.
Welke stelling is juist of welke stellingen zijn juist?
A
Stelling 1 is juist.
B
Stelling 2 is juist.
C
Beide stellingen zijn juist.
D
Geen van beide stellingen is juist.
Slide 20 - Quiz
19. Wat ontstaat er uit een ZAADbeginsel?
A
Een kiem.
B
Een vrucht.
C
Een zaad.
Slide 21 - Quiz
20. In welke delen van een bloem kan BEVRUCHTING plaatsvinden?
A
In de stempels.
B
In de stuifmeelbuizen.
C
In de zaadbeginsels.
Slide 22 - Quiz
21. Na BESTUIVING vinden er drie gebeurtenissen plaats in de bloem. 1. De kern van een stuifmeelkorrel dringt een eicel binnen. 2. Er vindt bevruchting plaats. 3. Er groeit een stuifmeelbuis uit een stuifmeelkorrel.
Wat is de juiste volgorde van deze gebeurtenissen?
A
1 – 2 – 3
B
2 – 1 – 3
C
2 – 3 – 1
D
3 – 1 – 2
Slide 23 - Quiz
22. In welk onderdeel van een bloem worden eicellen gevormd?
A
In de bloemkelk.
B
In de bloemkroon.
C
In de meeldraden.
D
In de stamper.
Slide 24 - Quiz
23. In de afbeelding is een kers getekend.
Bevat deze kers zaden? Zo ja, hoeveel?
A
Deze kers bevat geen zaden.
B
Deze kers bevat één zaad.
C
Deze kers bevat meer dan één zaad.
Slide 25 - Quiz
24. Wat zit er in de stuifmeelbuis?
A
De kern van een eicel.
B
De kern van een stuifmeelkorrel.
C
Een bevruchte eicel.
D
Stuifmeel.
Slide 26 - Quiz
Open vragen
Geef bij de volgende vragen zelf antwoord.
Lees de vraag goed en kijk goed WAT er gevraagd wordt!
Slide 27 - Slide
25. Adriaan is boer. Hij zit in de akkerbouw, dit betekent dat hij planten kweekt. Adriaan kweekt voornamelijk bonen en tomaten.
Wat stopt Adriaan in de grond om bonen- en tomatenplanten te krijgen?
Slide 28 - Open question
26. Adriaan is boer. Hij zit in de akkerbouw, dit betekent dat hij planten kweekt. Adriaan kweekt voornamelijk bonen en tomaten.
Wat is er behalve zaden nog meer nodig om te zorgen dat Adriaan bonen- en tomatenplanten krijgt?
Slide 29 - Open question
27. In de afbeelding is een bloem getekend.
Hoe heet het gedeelte dat met nummer 3 is aangegeven?
Slide 30 - Open question
28. In de afbeelding is een bloem getekend.
Hoe heet het gedeelte dat met nummer 1 is aangegeven?
Slide 31 - Open question
29. Yara heeft twee honden. De mannetjeshond heeft een donkerbruine vacht. De vrouwtjeshond heeft een witte vacht. De twee honden krijgen samen een puppy. De puppy heeft een lichtbruine vacht.
Waarom is de vacht van de puppy niet donkerbruin of wit zoals bij zijn vader en moeder?
Slide 32 - Open question
Sleepvragen
Sleep de antwoorden naar het goede vakje.
Lees de vraag goed en kijk goed WAT er gevraagd wordt!
Slide 33 - Slide
Vruchten
Zaden
30. Sleep de woorden naar het juiste vak
Bonen
Appel
Tomaat
Erwt
Slide 34 - Drag question
Klaar!
Je hebt nu alle vragen gehad. Controleer VOORDAT je de toets inlevert of je alles hebt ingevuld.