Eten en drinken
Eten en drinken
Open met herkenbare dagelijkse situaties: ontbijt, lunch, water drinken. Zo sluit de les aan bij functionele taal op A1-niveau.
Lesdoel
Ik kan zinnen maken met eten en drinken.
This item has no instructions
Welke woorden ken je al bij eten en drinken?
Laat leerlingen losse woorden noemen, bijvoorbeeld eten, drinken, brood, water, appel, thee. Gebruik de woordenwolk als start van de les.
Werkwoord: eten
eten = voedsel nemen
Voorbeeld: Ik eet brood.
We gebruiken eten elke dag.
Houd het begrip concreet met plaatjes van brood, fruit en rijst. Benoem dat eten over voedsel gaat.
Ik, jij, hij, zij
ik eet
jij eet
hij eet
zij eet
Benadruk dat bij eten in deze les de vormen met ik, jij, hij en zij hetzelfde klinken: eet.
Wij, jullie, zij
wij eten
jullie eten
zij eten
Meervoud krijgt eten.
Maak zichtbaar verschil tussen enkelvoud en meervoud. Gebruik eventueel wijzen: één persoon tegenover meerdere personen.
Eten in een zin
Een korte zin heeft vaak:
persoon + werkwoord + eten/drinken of ding
Voorbeelden:
Ik eet rijst.
Hij eet een appel.
Wij eten soep.
Hier wordt de stap gezet van losse werkwoordsvormen naar complete zinnen. Houd de woordenschat eenvoudig en zichtbaar.
Welke zin is goed?
Wij eet soep.
Hij eten soep.
Ik eet soep.
Jullie eet soep.
Checkt de vormen van eten en een korte zin met onderwerp + werkwoord + woord.
Vul de goede woorden in
Ik eet brood. Hij eet een appel. Wij eten rijst.
Herhaalt enkelvoud en meervoud van eten in zinnen die lijken op de voorbeelden uit de les.
Werkwoord: drinken
drinken = iets vloeibaars nemen
Voorbeeld: Ik drink water.
We gebruiken drinken bij water, thee en melk.
Zet eten en drinken kort naast elkaar: voedsel = eten, water/thee/melk = drinken.
Ik, jij, hij, zij
ik drink
jij drinkt
hij drinkt
zij drinkt
Benadruk het verschil tussen ik en de andere enkelvoudsvormen: ik drink, maar jij/hij/zij drinkt.
Wij, jullie, zij
wij drinken
jullie drinken
zij drinken
Meervoud krijgt drinken.
Laat opnieuw het patroon zien: meervoud krijgt de hele vorm drinken. Zo zien leerlingen het systeem terug.
Drinken in een zin
Voorbeelden:
Ik drink water.
Jij drinkt melk.
Wij drinken thee.
Zij drinken sap.
Lees de zinnen hardop voor en wijs steeds het onderwerp en het werkwoord aan.
Welke vorm past bij jij?
drink
drinkt
drinken
eet
Controleert het belangrijke verschil: ik drink, maar jij drinkt.
Vul de goede woorden in
Ik drink water. Jij drinkt melk. Wij drinken thee.
Laat leerlingen de drie vormen van drinken herkennen in korte voorbeeldzinnen.
Eten en drinken samen
ik eet
jij eet
hij/zij eet
wij/jullie/zij eten
drinken
eten
ik drink
jij drinkt
hij/zij drinkt
wij/jullie/zij drinken
Deze vergelijkingsslide helpt leerlingen het verschil tussen de twee werkwoorden te zien: eet/eten tegenover drink/drinkt/drinken.
Zinnen maken
Begin met een persoon: ik, jij, hij, zij, wij, jullie, zij
Kies eten of drinken
Voeg een woord toe: brood, appel, water, thee
Houd de zinsbouw vast en eenvoudig. Dit is de landingsslide van de les: onderwerp + juiste werkwoordsvorm + woord erbij.
Voorbeelden van zinnen
Ik eet brood.
Jij eet een banaan.
Hij drinkt water.
Zij drinkt thee.
Wij eten rijst.
Jullie drinken melk.
Gebruik deze voorbeelden als modelzinnen. Ze tonen beide werkwoorden en meerdere personen.
Welke zin is goed?
Zij drink water.
Wij drinken thee.
Hij drinken melk.
Jij drinken sap.
Eindcontrole van beide werkwoorden in hele zinnen.
Schrijf 1 zin met eten of drinken.
Leerlingen kunnen bijvoorbeeld noemen: ik eet brood, hij drinkt water, wij eten rijst. Let op onderwerp + juiste werkwoordsvorm + eten of drinken + woord.