Eten en drinken

Eten en drinken

1 / 20
next
Slide 1: Slide
New lesson editorAlfabetisering NT2Middelbare schoolISK

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 5 min
Report this lesson

Items in this lesson

Eten en drinken

Open met herkenbare dagelijkse situaties: ontbijt, lunch, water drinken. Zo sluit de les aan bij functionele taal op A1-niveau.

Lesdoel

Ik kan zinnen maken met eten en drinken.

This item has no instructions

Welke woorden ken je al bij eten en drinken?

Laat leerlingen losse woorden noemen, bijvoorbeeld eten, drinken, brood, water, appel, thee. Gebruik de woordenwolk als start van de les.

Werkwoord: eten

  • eten = voedsel nemen

  • Voorbeeld: Ik eet brood.

  • We gebruiken eten elke dag.

Houd het begrip concreet met plaatjes van brood, fruit en rijst. Benoem dat eten over voedsel gaat.

Ik, jij, hij, zij

  • ik eet

  • jij eet

  • hij eet

  • zij eet

Benadruk dat bij eten in deze les de vormen met ik, jij, hij en zij hetzelfde klinken: eet.

Wij, jullie, zij

  • wij eten

  • jullie eten

  • zij eten

  • Meervoud krijgt eten.

Maak zichtbaar verschil tussen enkelvoud en meervoud. Gebruik eventueel wijzen: één persoon tegenover meerdere personen.

Eten in een zin

Een korte zin heeft vaak:


persoon + werkwoord + eten/drinken of ding


Voorbeelden:

  • Ik eet rijst.

  • Hij eet een appel.

  • Wij eten soep.

Hier wordt de stap gezet van losse werkwoordsvormen naar complete zinnen. Houd de woordenschat eenvoudig en zichtbaar.

Welke zin is goed?

A

Wij eet soep.

B

Hij eten soep.

C

Ik eet soep.

D

Jullie eet soep.

Checkt de vormen van eten en een korte zin met onderwerp + werkwoord + woord.

Vul de goede woorden in

Ik eet brood. Hij eet een appel. Wij eten rijst.

eet
eet
eten
drink
drinkt
drinken
eetten

Herhaalt enkelvoud en meervoud van eten in zinnen die lijken op de voorbeelden uit de les.

Werkwoord: drinken

  • drinken = iets vloeibaars nemen

  • Voorbeeld: Ik drink water.

  • We gebruiken drinken bij water, thee en melk.

Zet eten en drinken kort naast elkaar: voedsel = eten, water/thee/melk = drinken.

Ik, jij, hij, zij

  • ik drink

  • jij drinkt

  • hij drinkt

  • zij drinkt

Benadruk het verschil tussen ik en de andere enkelvoudsvormen: ik drink, maar jij/hij/zij drinkt.

Wij, jullie, zij

  • wij drinken

  • jullie drinken

  • zij drinken

  • Meervoud krijgt drinken.

Laat opnieuw het patroon zien: meervoud krijgt de hele vorm drinken. Zo zien leerlingen het systeem terug.

Drinken in een zin

Voorbeelden:

  • Ik drink water.

  • Jij drinkt melk.

  • Wij drinken thee.

  • Zij drinken sap.

Lees de zinnen hardop voor en wijs steeds het onderwerp en het werkwoord aan.

Welke vorm past bij jij?

A

drink

B

drinkt

C

drinken

D

eet

Controleert het belangrijke verschil: ik drink, maar jij drinkt.

Vul de goede woorden in

Ik drink water. Jij drinkt melk. Wij drinken thee.

drink
drinkt
drinken
eet
eten
drinkt
drinkt

Laat leerlingen de drie vormen van drinken herkennen in korte voorbeeldzinnen.

Eten en drinken samen

  • ik eet

  • jij eet

  • hij/zij eet

  • wij/jullie/zij eten

drinken

eten

  • ik drink

  • jij drinkt

  • hij/zij drinkt

  • wij/jullie/zij drinken

Deze vergelijkingsslide helpt leerlingen het verschil tussen de twee werkwoorden te zien: eet/eten tegenover drink/drinkt/drinken.

Zinnen maken

  • Begin met een persoon: ik, jij, hij, zij, wij, jullie, zij

  • Kies eten of drinken

  • Voeg een woord toe: brood, appel, water, thee

Houd de zinsbouw vast en eenvoudig. Dit is de landingsslide van de les: onderwerp + juiste werkwoordsvorm + woord erbij.

Voorbeelden van zinnen

  • Ik eet brood.

  • Jij eet een banaan.

  • Hij drinkt water.

  • Zij drinkt thee.

  • Wij eten rijst.

  • Jullie drinken melk.

Gebruik deze voorbeelden als modelzinnen. Ze tonen beide werkwoorden en meerdere personen.

Welke zin is goed?

A

Zij drink water.

B

Wij drinken thee.

C

Hij drinken melk.

D

Jij drinken sap.

Eindcontrole van beide werkwoorden in hele zinnen.

Schrijf 1 zin met eten of drinken.

Leerlingen kunnen bijvoorbeeld noemen: ik eet brood, hij drinkt water, wij eten rijst. Let op onderwerp + juiste werkwoordsvorm + eten of drinken + woord.