TisTaal | VO1 | thema 4 | les 1

TisTaal | VO1 | thema 1 | les 1
Eten en drinken
Thema 4
les 1
1 / 18
next
Slide 1: Slide
NT2NederlandsISK

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

TisTaal | VO1 | thema 1 | les 1
Eten en drinken
Thema 4
les 1

Slide 1 - Slide

👁️‍🗨️ Thema openen.
• Benoem dat dit thema gaat over eten en drinken in Nederland.


• het verschil herkennen tussen informeren en overhalen;
• kenmerken noemen van een beschrijvende tekst en een overhalende tekst;
• belangrijke informatie uit korte teksten halen.
Na deze les kan ik:

Slide 2 - Slide

👁️‍🗨️ Doelen hardop laten lezen

Wat eet jij meestal op een schooldag?

Slide 3 - Mind map

👁️‍🗨️ Vul woorden in op de mindmap. 
Doel is activeren van voorkennis, niet corrigeren. Laat variatie toe. 
Vraag:
Noem één ding dat je eet bij:
• ontbijt
• lunch
• avondeten

Je gaat straks een tekst lezen over eten in Nederland.
De tekst heeft tussenkopjes.
Tussenkopjes laten zien waar een deel van de tekst over gaat.

Vraag:
Waar denk je dat de tekst over gaat?


Lees de tussenkopjes hieronder:

• Ontbijt: snel en simpel
• Lunch: meestal koud
• Avondeten: warm en samen
• Gezond en praktisch

Slide 4 - Slide

👁️‍🗨️ Benoem expliciet: Dit zijn tussenkopjes. Ze helpen je om te begrijpen waar de tekst over gaat.

▶️ Stel daarna verdiepende vragen:
• Wat denk je bij “meestal koud”?
• Welke tussenkop vind je het belangrijkst? Waarom?


Ontbijt: snel en simpel
In Nederland begint de dag voor veel mensen met een eenvoudig ontbijt.
Ze eten vaak brood met kaas, pindakaas of zoet beleg zoals hagelslag.
Sommige mensen ontbijten met yoghurt of fruit, maar brood is het meest gebruikelijk.

Lunch: meestal koud
Ook de lunch is in Nederland meestal simpel.
Veel Nederlanders eten opnieuw brood, thuis, op school of op het werk.
Ze nemen hun lunch vaak zelf mee.
Warm lunchen, zoals in sommige andere landen, gebeurt in Nederland niet vaak.





Wat eten Nederlanders op een gewone dag?

Slide 5 - Slide

👁️‍🗨️ ▶️ Let op - de tekst is over 2 dia's verdeeld.

• Route A: lees alleen de eerste zin van elke alinea en de vetgedrukte woorden.
Dat is genoeg om te begrijpen waar de tekst over gaat.
• Route B en C: lees de hele tekst.

Avondeten: warm en samen
Het avondeten is voor veel gezinnen het belangrijkste eetmoment van de dag.
Dan eten Nederlanders meestal warm.
Populaire gerechten zijn stamppot, pasta, rijstgerechten of aardappelen met groente en vlees. Steeds meer mensen kiezen ook voor vegetarisch eten.

Gezond en praktisch
Veel Nederlanders letten op gezond en praktisch eten.
Ze kiezen maaltijden die niet te duur zijn en niet veel tijd kosten.
Daarom koken veel mensen doordeweeks snel en simpel.
In het weekend is er soms meer tijd om uitgebreid te koken of samen te eten.

Slide 6 - Slide

👁️‍🗨️ ▶️
• Route A: lees alleen de eerste zin van elke alinea en de vetgedrukte woorden.
Dat is genoeg om te begrijpen waar de tekst over gaat.
• Route B en C: lees de hele tekst.




Waar gaat deze tekst over?
A
Wat Nederlanders vaak eten.
B
Waarom eten lekker is.
C
Hoe laat Nederlanders eten.
D
Hoeveel Nederlanders eten.

Slide 7 - Quiz

Antwoord A: wat Nederlanders vaak eten.

Laat leerlingen het antwoord terugvinden in de tekst.

Wat wil de schrijver met deze tekst?
A
iets uitleggen
B
iemand iets laten kiezen
C
iemand overhalen om te gaan eten
D
iemand de laten ontspannen

Slide 8 - Quiz

Antwoord A: iets uitleggen.

💡 Introduceer het woord informeren pas na het denken.


Eet jij thuis Nederlands eten?
Welk Nederlands eten vind je lekker?

Slide 9 - Slide

👥 Laat leerlingen volledige zinnen gebruiken, maar corrigeer niet overmatig.
👁️‍🗨️ Doorvragen op inhoud:
• Wat eet je dan precies?
• Wanneer eet je dat?
• Is dat hetzelfde als in de tekst?
💡 Accepteer ook: Ik eet geen Nederlands eten, mits onderbouwd.
✍️ Geen schriftelijke verwerking. Dit is een mondeling brugmoment.

Lees de tekst.

Slide 10 - Slide

Laat leerlingen nu zelfstandig lezen, zonder vragen.

Wat wil de schrijver dat jij doet na het lezen van deze tekst?
A
De stamppot proberen.
B
Informatie krijgen over Nederlands eten.
C
Uitleggen wat Nederlanders eten.

Slide 11 - Quiz

Antwoord A: de stamppot proberen.

👥 Laat leerlingen hun keuze kort onderbouwen met één woord of zin uit de tekst.
👁️‍🗨️ Stuur expliciet naar zinnen als:
• Kom vandaag nog…
• Probeer het nu…
🔍 Benoem daarna pas: Dit is een overhalende tekst.


Het doel van deze tekst is:
A
amuseren
B
informeren
C
overtuigen
D
overhalen

Slide 12 - Quiz

Antwoord D: overhalen.



Vul de tabel in:
tekst 1 
tekst 2
Waar gaat de tekst over?
Wat wil de schrijver?
Welke woorden vallen op?

Slide 13 - Slide

🔍 Stuur bij Welke woorden vallen op? gericht naar bijvoeglijke naamwoorden.
Laat leerlingen woorden noemen; jij benoemt het verschil:

tekst 1 → neutraal beschrijvend

tekst 2 → positief en sturend

Waar gaat tekst 1 over?
Leerlingreacties (verwacht):
eten in Nederland
wat Nederlanders eten

Docent vult in (modeltaal):
→ wat Nederlanders op een gewone dag eten

Waar gaat tekst 2 over?
Leerlingreacties:
stamppot
eten

Docent vult in:
→ een gerecht: stamppot

Wat wil de schrijver van tekst 1?
Leerlingen:
uitleggen
vertellen

Docent formuleert en noteert:
→ informatie geven

Dan tekst 2:
Leerlingen:
dat je het eet
dat je het probeert

Docent formuleert:
→ dat je stamppot probeert

Kijk naar tekst 2. Welke woorden zijn anders dan in tekst 1?

Leerlingen noemen losse woorden:
lekker
warm
jij

Docent ordent hardop:
positieve bijvoeglijke naamwoorden
vergelijking: lekkerder dan
directe aanspreking: je, jij
Sommige woorden zeggen hoe iets is. Ze geven extra informatie.
Deze woorden noemen we bijvoeglijke naamwoorden.

Kijk naar deze zinnen:
• Het ontbijt is simpel.
• De lunch is koud.
• Het avondeten is warm.

Deze woorden beschrijven het eten op een neutrale manier.
In andere teksten kiest een schrijver andere woorden:
• lekker
• goed
• perfect
Deze woorden zeggen niet alleen hoe het eten is.
Ze zorgen ervoor dat je denkt: dat klinkt goed. Dat wil ik proberen.

De schrijver kiest deze woorden om jou iets te laten willen.
Daarom kiest een schrijver woorden met een doel.

Slide 14 - Slide

👁️‍🗨️ Laat leerlingen de bijvoeglijke naamwoorden aanwijzen, niet benoemen als regel.
🔍 Vraag: Wat doen deze woorden met de tekst?
💡 Verbind aan tekstdoel: beschrijven vs. overhalen.
✍️ Geen uitleg over woordsoorten, geen vervoeging, geen schema.

Speel het spel.
Je ziet woorden uit de teksten.
Deze woorden zeggen iets over eten.

Sleep elke uitspraak naar de juiste plek:
– vertellen hoe iets is
– zorgen dat je iets wilt

Lees goed en denk na.
Soms twijfel je. Dat is oké. Kies wat volgens jou het beste past.
klik hier 

Slide 15 - Slide

👁️‍🗨️ Doel is herkennen, niet uitleggen of oefenen.
▶️ Laat leerlingen klassikaal reageren of individueel op het bord.
🔍 Bespreek alleen het effect van de woorden, niet de woordsoort.

Stel na afloop de vraag:
Welke woorden wil een schrijver gebruiken als hij wil dat je iets probeert?

Verdieping:
Welke woorden zou jij gebruiken?
Welke tekst vond jij sterker? 
Waarom?
1
2

Slide 16 - Slide

✍️ Geen goed of fout. Focus op woordkeuze, niet op smaak.
☐ herkennen waarom een tekst is geschreven
☐ het verschil zien tussen informeren en overhalen
☐ zien hoe woorden een tekst neutraal of aantrekkelijk maken
Ik kan nu:
In de volgende les ga je zelf woorden kiezen om iemand iets te laten willen.

Slide 17 - Slide

👁️‍🗨️ Lees de punten hardop voor of laat één leerling ze voorlezen.
▶️ Vraag daarna één korte checkvraag (mondeling):

Welke tekst wilde iets uitleggen?
Welke tekst wilde dat je iets ging doen?

💡 Verbind dit expliciet aan Les 2:

Volgende les ga je zelf woorden kiezen om iemand iets te laten willen.

✍️ Geen discussie, geen voorbeelden meer.
bronnen:
Deze les is gemaakt door TisTaal by Dutchily. Op de vermelde bronnen na, alle rechten voorbehouden aan team Dutchily.




Slide 18 - Slide

Bezoek onze website: