Hoofdstuk 4 - taalverzorging - onderwerp, persoonsvorm, ik-vorm.

Hoofdstuk 4 
Taalverzorging. 
1 / 33
next
Slide 1: Slide
NederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 3

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Hoofdstuk 4 
Taalverzorging. 

Slide 1 - Slide

Aan het eind van de les
- weet ik wat een werkwoord is
- kan ik de persoonsvorm vinden in een zin 
- kan ik het onderwerp vinden in een zin
- weet ik wat de stam is van een werkwoord. 

Slide 2 - Slide

Welke werkwoorden ken jij?

Slide 3 - Mind map

Het werkwoord
Een werkwoord is iets wat je kunt doen. Het wordt ook wel een doe woord genoemd. 

Voorbeelden zijn: lopen, zitten, kijken, zijn, doen, ruiken, voetballen, hebben.

Slide 4 - Slide

Persoonsvorm
Een speciaal werkwoord is de persoonsvorm. Dit werkwoord verandert van vorm afhankelijk van wie het doet en wanneer het gebeurt. Als je weet wat de persoonsvorm in de zin is, kun je regels gebruiken om dit werkwoord goed te spellen. 

Slide 5 - Slide

Persoonsvorm
Je kunt de persoonsvorm in een zin vinden door de zin van tijd te veranderen. Van tegenwoordige tijd naar verleden tijd of andersom. Het werkwoord dat dan verandert is de persoonsvorm. 

Slide 6 - Slide

Welke zin staat in de tegenwoordige tijd?
A
De juf staat voor de klas.
B
De juf stond voor de klas.

Slide 7 - Quiz

Welke zin staat in de tegenwoordige tijd?
A
Ik rook aan die bloem.
B
Ik ruik aan die bloem.

Slide 8 - Quiz

Zet deze zin in de verleden tijd:
Mijn moeder kookt de heerlijkste erwtensoep.

Slide 9 - Open question

Zet deze zin in de verleden tijd:
Frenk snijdt de aubergine in blokjes

Slide 10 - Open question

Slide 11 - Video

Wat is de persoonsvorm uit deze zin?

Wij mogen nieuwe meubels voor onze kamer uitzoeken.

Slide 12 - Open question

Wat is de persoonsvorm uit deze zin?

Waarom wil jouw broer nooit boodschappen doen?

Slide 13 - Open question

Wat is de persoonsvorm uit deze zin?

Wij liepen samen naar de supermarkt

Slide 14 - Open question

Onderwerp
Hoe je de persoonsvorm moet spellen hangt af van het onderwerp van de zin. Het onderwerp is wie of wat iets doet. 

Je kunt het onderwerp vinden door deze vraag te stellen
Wie of wat + persoonsvorm 

Slide 15 - Slide

Voorbeeld
Haar zus woont in een andere stad. 

Zet de zin in een andere tijd
Haar zus woonde in een andere stad. 

woont verandert en is dus het onderwerp. 

Wie of wat woont? -> haar zus.

Slide 16 - Slide

Wat is het onderwerp in deze zin:
Joost struikelt over de rondslingerende schoenen.
A
struikelt
B
Joost
C
schoenen
D
over

Slide 17 - Quiz

Wat is het onderwerp in deze zin:
Gisteren hebben wij een nieuwe vaatwasser gekocht.
A
hebben
B
Gisteren
C
wij
D
gekocht

Slide 18 - Quiz

Wat is het onderwerp in deze zin:

Tot hoe laat mocht jouw zusje opblijven?

Slide 19 - Open question

Wat is het onderwerp in deze zin:

Dat vind ik een interessante traditie.

Slide 20 - Open question

Wat is het onderwerp in deze zin:

De eigenaars van die B&B waren heel gastvrij.

Slide 21 - Open question

De ik-vorm
Om een persoonsvorm goed te kunnen spellen, moet je ook bepalen wat de ik-vorm van het werkwoord is. De ik-vorm van een werkwoord is de vorm als 'ik' het doet. 

Dit noemen we ook wel de stam

Slide 22 - Slide

voorbeeld
Zin 
Hij blijft thuis. 
Jij slikt een pil. 
Wij koken avondeten. 
Persoonsvorm
blijft
slikt
koken
ik-vorm 
blijf
slik
kook

Slide 23 - Slide

Wat is de ik-vorm van de persoonsvorm.

Zijn ouders rusten uit op de bank.

Slide 24 - Open question

Wat is de ik-vorm van de persoonsvorm.

hij stofzuigt zijn kamer.

Slide 25 - Open question

Wat is de ik-vorm van de persoonsvorm.

zij lezen 's avonds vaak een boek

Slide 26 - Open question

Wat is de ik-vorm van de persoonsvorm.

Wij klussen altijd in het weekend.

Slide 27 - Open question

Wat is de ik-vorm van de persoonsvorm.

Zij snoeit de bramenstruik in haar tuin

Slide 28 - Open question

Ik kan de persoonsvorm vinden in een zin.
😒🙁😐🙂😃

Slide 29 - Poll

Ik kan het onderwerp vinden in een zin.
😒🙁😐🙂😃

Slide 30 - Poll

Ik weet hoe ik de ik-vorm of stam van een werkwoord moet schrijven
😒🙁😐🙂😃

Slide 31 - Poll

Ik heb mij aan de gedragsverwachtingen gehouden deze les.
😒🙁😐🙂😃

Slide 32 - Poll

Aan de slag.
Maak het werkblad. Schrijf je naam hier op en lever het in. 

Slide 33 - Slide