Een speciaal werkwoord is de persoonsvorm. Dit werkwoord verandert van vorm afhankelijk van wie het doet en wanneer het gebeurt. Als je weet wat de persoonsvorm in de zin is, kun je regels gebruiken om dit werkwoord goed te spellen.
Slide 5 - Slide
Persoonsvorm
Je kunt de persoonsvorm in een zin vinden door de zin van tijd te veranderen. Van tegenwoordige tijd naar verleden tijd of andersom. Het werkwoord dat dan verandert is de persoonsvorm.
Slide 6 - Slide
Welke zin staat in de tegenwoordige tijd?
A
De juf staat voor de klas.
B
De juf stond voor de klas.
Slide 7 - Quiz
Welke zin staat in de tegenwoordige tijd?
A
Ik rook aan die bloem.
B
Ik ruik aan die bloem.
Slide 8 - Quiz
Zet deze zin in de verleden tijd: Mijn moeder kookt de heerlijkste erwtensoep.
Slide 9 - Open question
Zet deze zin in de verleden tijd: Frenk snijdt de aubergine in blokjes
Slide 10 - Open question
Slide 11 - Video
Wat is de persoonsvorm uit deze zin?
Wij mogen nieuwe meubels voor onze kamer uitzoeken.
Slide 12 - Open question
Wat is de persoonsvorm uit deze zin?
Waarom wil jouw broer nooit boodschappen doen?
Slide 13 - Open question
Wat is de persoonsvorm uit deze zin?
Wij liepen samen naar de supermarkt
Slide 14 - Open question
Onderwerp
Hoe je de persoonsvorm moet spellen hangt af van het onderwerp van de zin. Het onderwerp is wie of wat iets doet.
Je kunt het onderwerp vinden door deze vraag te stellen
Wie of wat + persoonsvorm
Slide 15 - Slide
Voorbeeld
Haar zus woont in een andere stad.
Zet de zin in een andere tijd
Haar zus woonde in een andere stad.
woont verandert en is dus het onderwerp.
Wie of wat woont? -> haar zus.
Slide 16 - Slide
Wat is het onderwerp in deze zin: Joost struikelt over de rondslingerende schoenen.
A
struikelt
B
Joost
C
schoenen
D
over
Slide 17 - Quiz
Wat is het onderwerp in deze zin: Gisteren hebben wij een nieuwe vaatwasser gekocht.
A
hebben
B
Gisteren
C
wij
D
gekocht
Slide 18 - Quiz
Wat is het onderwerp in deze zin:
Tot hoe laat mocht jouw zusje opblijven?
Slide 19 - Open question
Wat is het onderwerp in deze zin:
Dat vind ik een interessante traditie.
Slide 20 - Open question
Wat is het onderwerp in deze zin:
De eigenaars van die B&B waren heel gastvrij.
Slide 21 - Open question
De ik-vorm
Om een persoonsvorm goed te kunnen spellen, moet je ook bepalen wat de ik-vorm van het werkwoord is. De ik-vorm van een werkwoord is de vorm als 'ik' het doet.
Dit noemen we ook wel de stam
Slide 22 - Slide
voorbeeld
Zin
Hij blijft thuis.
Jij slikt een pil.
Wij koken avondeten.
Persoonsvorm
blijft
slikt
koken
ik-vorm
blijf
slik
kook
Slide 23 - Slide
Wat is de ik-vorm van de persoonsvorm.
Zijn ouders rusten uit op de bank.
Slide 24 - Open question
Wat is de ik-vorm van de persoonsvorm.
hij stofzuigt zijn kamer.
Slide 25 - Open question
Wat is de ik-vorm van de persoonsvorm.
zij lezen 's avonds vaak een boek
Slide 26 - Open question
Wat is de ik-vorm van de persoonsvorm.
Wij klussen altijd in het weekend.
Slide 27 - Open question
Wat is de ik-vorm van de persoonsvorm.
Zij snoeit de bramenstruik in haar tuin
Slide 28 - Open question
Ik kan de persoonsvorm vinden in een zin.
😒🙁😐🙂😃
Slide 29 - Poll
Ik kan het onderwerp vinden in een zin.
😒🙁😐🙂😃
Slide 30 - Poll
Ik weet hoe ik de ik-vorm of stam van een werkwoord moet schrijven
😒🙁😐🙂😃
Slide 31 - Poll
Ik heb mij aan de gedragsverwachtingen gehouden deze les.
😒🙁😐🙂😃
Slide 32 - Poll
Aan de slag.
Maak het werkblad. Schrijf je naam hier op en lever het in.