Past simple gebruiken in het Engels

Past simple in het Engels

1 / 26
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEngelsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Past simple in het Engels

This item has no instructions

Leerdoel

Ik kan de past simple gebruiken om acties en gebeurtenissen in het verleden correct te beschrijven.

This item has no instructions

Welke woorden koppel jij aan de past simple?

Gebruik de reacties om voorkennis op te halen. Let op woorden als verleden tijd, yesterday, -ed, did, onregelmatig.

Wat is de past simple?

De past simple gebruik je om te vertellen over iets dat gebeurd en afgerond is in het verleden.


Het gaat om:

  • een actie die klaar is

  • een gebeurtenis op een bepaald moment

  • een situatie in het verleden die niet meer duurt

Open vanuit het verschil tussen nu en toen: de past simple gaat over afgesloten tijd. Vermijd hier nog uitzonderingen; leg eerst de basisfunctie vast.

Wanneer gebruik je deze tijd?

Je gebruikt de past simple bij:

  • afgeronde gebeurtenissen

  • een duidelijke tijdsaanduiding

  • signaalwoorden zoals yesterday, last week, ago

This item has no instructions

Voorbeelden van gebruik

  • I visited my grandma yesterday.

  • They played football last week.

  • We watched that film two days ago.


In al deze zinnen is het moment in het verleden duidelijk.

Benadruk dat de tijdsaanduiding vaak helpt om de past simple te herkennen, maar dat een zin ook zonder signaalwoord in de past simple kan staan als de context duidelijk verleden tijd is.

Positieve zinnen maken

In een positieve zin gebruik je:


onderwerp + werkwoord in de past simple


Voorbeelden:

  • She walked home.

  • We cleaned the room.

  • He played tennis.

This item has no instructions

Regelmatige werkwoorden met -ed

Bij regelmatige werkwoorden maak je de past simple meestal met -ed.


Voorbeelden:

  • walk → walked

  • play → played

  • clean → cleaned

  • watch → watched

Noem kort dat de uitspraak van -ed kan verschillen, maar dat deze les focust op vorm en gebruik in geschreven zinnen.

Wanneer gebruik je de past simple?

A

Bij afgeronde acties

B

Bij acties van nu

C

Bij plannen morgen

D

Bij iets dat bezig is

Toetst de kernfunctie van de tijd: afgesloten gebeurtenissen in het verleden.

Vul de juiste vormen in

I visited my grandma yesterday. She walked home later. Last week, we played football and then watched a film.

visited
walked
played
watched
visit
walk
play
watch
cleaned
ago

Alle juiste antwoorden zijn regelmatige past-simple-vormen die eerder op de slides voorkwamen.

Belangrijke spellingregels

Let op deze veelvoorkomende regels:

  • werkwoord op -e → alleen -d: live → lived

  • medeklinker + y → y wordt ied: study → studied

  • korte klinker + medeklinker → laatste letter vaak dubbel: stop → stopped

Houd het bij de hoofdregels uit de prompt. Je kunt mondeling noemen dat play gewoon played blijft, omdat daar een klinker + y staat.

Onregelmatige werkwoorden

Sommige werkwoorden krijgen geen -ed.

Die moet je apart leren.


Voorbeelden:

  • go → went

  • see → saw

  • have → had

Leg uit dat onregelmatige werkwoorden vaak veel gebruikt worden en daarom belangrijk zijn om vroeg te kennen.

Veelgebruikte onregelmatige vormen

Nog meer veelvoorkomende voorbeelden:

  • be → was / were

  • do → did

  • eat → ate

  • make → made

  • come → came

  • take → took

Wijs erop dat be een aparte vorm heeft met was en were. Houd de focus op herkennen en correct gebruiken in eenvoudige zinnen.

Welke vorm is goed geschreven?

A

studyed

B

stopped

C

stoped

D

studyd

Test spellingregels: dubbele medeklinker bij stop en niet studyed maar studied.

Past simple: regelmatig en onregelmatig

Yesterday I went to town and saw my friend there. Later, we studied English and stopped at the shop.

went
saw
studied
stopped
go
see
studyed
stoped
had
played

Combinatie van onregelmatige vormen en spellingregels binnen één kort verhaaltje.

Waarom zijn onregelmatige werkwoorden lastiger?

Bespreek dat onregelmatige werkwoorden geen vaste -ed-regel volgen en dus uit het hoofd geleerd moeten worden. Verwachte voorbeelden: went, saw, had, did, ate, made, came, took, was/were.

Ontkennende zinnen

In een ontkennende zin gebruik je:


onderwerp + did not (didn't) + hele werkwoord


Voorbeelden:

  • I did not play.

  • She didn't walk to school.

  • They didn't go home.

Benadruk dat na did/didn't altijd het hele werkwoord komt, dus niet played of went.

Vraagzinnen

In een vraag gebruik je:


Did + onderwerp + hele werkwoord?


Voorbeelden:

  • Did you watch the film?

  • Did he clean his room?

  • Did they see the teacher?

Laat het verschil zien met het Nederlands: in het Engels helpt did om de vraag te vormen in de past simple.

Let op bij did en didn't

Gebruik na did of didn't altijd de basisvorm van het werkwoord.


Goed:

  • Did she play?

  • They didn't go.


Fout:

  • Did she played?

  • They didn't went.

Dit is een veelgemaakte fout. Laat leerlingen het verschil expliciet zien tussen positieve zinnen en zinnen met did/didn't.

Past simple in één overzicht

  • Positief: She played.

  • Ontkennend: She didn't play.

  • Vraag: Did she play?


Bij onregelmatige werkwoorden:

  • He went home.

  • He didn't go home.

  • Did he go home?

Deze slide brengt vorm en gebruik samen. Gebruik hem om het patroon nog één keer helder naast elkaar te zetten.

Welke zin is correct?

A

Did she played?

B

She didn't went.

C

Did she play?

D

She didn't went home.

Na did of didn't gebruik je altijd de basisvorm van het werkwoord.

Positief, ontkennend en vraag

He went home after school. He didn't go back later. Did he go home early?

went
didn't go
Did
go
went
didn't went
Was
goes
played

Laat leerlingen het patroon uit het overzicht toepassen: positief met verleden vorm, maar na did/didn't de basisvorm.

Hoe zeker voel je je over de past simple nu?

1

Heel zeker

2

Best zeker

3

Nog wat twijfel

4

Ik vind het lastig

This item has no instructions

Wat is één ding dat jij uit deze les onthoudt?

Laat leerlingen kort benoemen wat is blijven hangen, bijvoorbeeld -ed, onregelmatige vormen of did/didn't + basisvorm.

Welk deel vond jij het lastigst vandaag?

Mogelijke antwoorden: spellingregels, onregelmatige werkwoorden, verschil tussen positief en did/didn't-zinnen.

Begrippenlijst

past simple - Engelse verleden tijd voor afgeronde acties, gebeurtenissen en situaties

regelmatig werkwoord - werkwoord dat in de verleden tijd meestal -ed krijgt

onregelmatig werkwoord - werkwoord met een afwijkende verleden tijd, zonder gewone -ed-regel

positieve zin - een gewone bevestigende zin

ontkennende zin - een zin waarin je zegt dat iets niet gebeurde

vraagzin - een zin waarmee je iets vraagt

signaalwoord - woord dat helpt om te zien wanneer iets gebeurde, zoals yesterday of ago

This item has no instructions