Herhalingsles LE5

Herhalingsles
Leereenheid 5
1 / 25
next
Slide 1: Slide
WelzijnMBOStudiejaar 1

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Herhalingsles
Leereenheid 5

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Wat versta jij onder opvoeding?

Slide 2 - Open question

This item has no instructions

Opvoeding 
Opvoeden is het bewust handelen van een opvoeder ten opzichte van een kind, met als doel het kind te beïnvloeden in zijn ontwikkeling in de richting van volwassenheid.

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Waar wordt er opgevoed?
Let op! Meerdere antwoorden zijn juist
A
Gezin
B
Werk
C
School
D
Sportverenigingen

Slide 4 - Quiz

This item has no instructions

Welke factoren bepalen je opvatting over opvoeden? Let op! Meerdere antwoorden zijn juist
A
Je eigen ervaring met opvoeding
B
De buurt waarin je opgroeit
C
jouw persoonlijke waarden en normen
D
de visie die je hebt op het kind

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

Het einddoel van opvoeden is volwassenheid. Welke kenmerken horen bij volwassenheid? Let op!
Meerdere antwoorden zijn juist.
A
Voldoende inkomen hebben
B
Redelijk standvastig in je mening staan
C
Een stabiele relatie hebben
D
Een levensdoel voor ogen hebben

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

Gitte is 13 jaar en zit met een aantal schoolvriendinnen waar ze veel mee optrekt op hockey. De
meiden praten over van alles, zoals over vriendjes, geloof, roken en over respect en sportiviteit op
het hockeyveld. Waardoor vindt hier mogelijk opvoeding plaats?
A
Door de sportvereniging
B
Door de peergroup
C
Door de Kerk
D
Door school

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een peergroup?

Slide 8 - Open question

This item has no instructions

Peergroup 
De ‘peergroup’ is de groep vriendjes en vriendinnetjes met wie het kind veel optrekt.

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Waarom pesten mensen?

Slide 10 - Open question

This item has no instructions

Slide 11 - Video

This item has no instructions

Sybren wordt gepest. Een deel van de klas spreekt hem steeds aan met 'roodborstje'. Van welke
vorm van pesten is hier sprake?

A
Verbaal pesten
B
Uitsluiten
C
Achtervolgen
D
Lichamelijk geweld

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

Machtsongelijkheid
Fysieke en Psychische schade 
Niet systematisch
Het slachtoffer kan niet voor zichzelf opkomen 
Het slachtoffer kan voor zichzelf opkomen 
Gelijkheid
Geen fysieke schade
Systematisch

Slide 13 - Drag question

This item has no instructions

Pestgedrag ontstaat meestal onder ongunstige omstandigheden. Welke omstandigheden kunnen
pestgedrag uitlokken? Let op! Meerdere antwoorden zijn juist.

A
Onprettige sfeer in de groep
B
Onderlinge rivaliteit
C
Sterk accent op winnen, de beste zijn
D
Veel persoonlijke aandacht

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

Bij welke leeftijd past pesten?
A
De basisschool & middelbare school
B
Tot en met de adolescentie
C
Bij alle leeftijden
D
Oudere mensen

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Wat is cyberpesten?

A
Dat is digitaal pesten
B
Dat is pesten op school
C
Dat is pesten via snapchat
D
Het is pesten op straat

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Wie zijn er betrokken bij het pesten?
In dit gedeelte gaan we dieper in op de stof.
Betrokken bij het pesten

Niet betrokken bij het pesten
Op school
Op straat
Meelopers
Dagelijks
Het gepeste kind
Broer
Sportleider
Ouders
Pester(s)
Zusje 

Slide 17 - Drag question

This item has no instructions

Waar denk je aan bij:
"Fairplay in de sport"

Slide 18 - Open question

This item has no instructions

Fairplay
‘het moreel juist uitoefenen van sport, tot uitdrukking komend in het zich houden aan de geschreven en ongeschreven regels, een goede onderlinge omgang en het streven naar kansgelijkheid’

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Bij welke element van fair play hoort het volgende voorbeeld:
Indeling in gewichtsklassen
A
Je houden aan de regels
B
Respectvol omgaan met anderen
C
Gelijke start- en winkansen
D
Spelen volgens de bedoeling

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Welke uitspraak is juist? Fair play in brede zin gaat over:
A
algemene, sportoverstijgende waarden en normen
B
sportspecifieke waarden en normen
C
sportinterne waarden en normen
D
sportsituaties waarin andere waarden en normen gelden

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Bij welke element van fair play hoort het volgende voorbeeld:
Accepteer beslissingen van de scheids
A
Respectvol gedrag t.o.v. anderen
B
Spelbedoeling
C
Gelijke start- en winkansen
D
Formele en informele regels

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions


Welke sporter gebruikte doping en is naar huis gestuurd tijdens de Olympische spelen?
A
Youri van Gelder
B
Epke Zonderland
C
Jeffrey Lammers
D
Bart Deurloo

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Is deze stelling goed of fout?
Doping in de sport moet legaal worden, zodat het voor iedereen eerlijk wordt
A
goed
B
fout

Slide 24 - Quiz

Deze stelling bevat een argument. Er wordt al uitgelegd waarom je voor de stelling moet zijn: ‘zodat het voor iedereen eerlijk wordt’.
Ik ga op tijd LE5 inleveren!
A
Ja zeker!
B
Nee, heb nog wat vragen
C
Twijfelachtig

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions