9.1 DNA

9.1 DNA
1 / 18
next
Slide 1: Slide
Biologie / VerzorgingMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min
Report this lesson

Items in this lesson

9.1 DNA

Slide 1 - Slide

Begrippen
DNA
Genoom
Plasmiden
Nucleïnezuur 
Dubbelstrengs DNA 
Chromosomen
DNA-sequentie

Slide 2 - Slide

DNA
genoom 

  • 3,2 miljard bouwstenen (ATCG)
  • ATCG naast elkaar = sequentie 

Slide 3 - Slide

DNA
  • Prokaryoten --> geen celkern, Circulair DNA-molecuul, plasmiden (korte stukjes circulair DNA)
  • Eukaryoten --> genoom = DNA in de celkern (kernDNA) en DNA in mitochondriën (mtDNA). Planten ook DNA in chloroplasten.  

Slide 4 - Slide

DNA-sequentie / nucleotidenvolgorde: 

bepaalt welke aminozuren gekoppeld worden > welk eiwit gemaakt wordt

Verschillende allelen produceren verschillende eiwitten.
Gen
deel van chromosoom met informatie voor (deel van) erfelijke eigenschap of meer eigenschappen. Codeert voor een eiwit. 

Slide 5 - Slide

enkelstrengs DNA

dubbelstrengs DNA

Slide 6 - Slide

DNA 
Nucleotide heeft een fosfaat,  suikergroep en een base 
De basen die kunnen verschillen
De basen komen altijd in tweetallen 

A & T
C & G 


Slide 7 - Slide

Welke Basenparen zijn er
A
A-C en T-G
B
A-G en C-T
C
A-T en C-G
D
A-D en B-C

Slide 8 - Quiz

DNA bestaat uit:
A
ribose, ACTG en waterstof groep
B
deoxyribose, ACTG en een fosfaatgroep
C
ribose, ACUG, en een fosfaatgroep
D
deoxyribose ACUG, en een fosfaatgroep

Slide 9 - Quiz

DNA
genen
chromosomen
autosomen
karyogram
dubbele-helix
     basenparen
 allelen
46
mutaties
bepalen erfelijke eigenschappen

Slide 10 - Drag question

Wat beschrijft DNA-sequentie?
A
Volgorde van de basen in het DNA
B
Gekopieerd stukje DNA
C
Het maken van een eiwit in een cel
D
Tot uiting komen van een gen

Slide 11 - Quiz

Wat is een genoom?
A
Een deel van een chromosoom
B
Een soort eiwit
C
De complete set genen van een organisme
D
Een groepje cellen in het lichaam

Slide 12 - Quiz

Kies telkens twee woorden, die passend zijn bij de zin. 
1. DNA is een soort :

2. A, T C, & G Zijn voorbeelden van

3. Deze letters vormen: 

4. De letter C gaat altijd samen met:

5.  De letter T gaat altijd samen met: 
Basen
Codetaal
Basenparen
Letter G
Letter A

Slide 13 - Drag question

Door welke eigenschap van DNA kan dit plasmide-DNA (van een bacterie) worden ingebouwd in het DNA van de aardappelplant?
A
Beide soorten DNA hebben dezelfde genetische informatie
B
Beide soorten DNA hebben dezelfde structuur bestaande uit nucleotiden.
C
Beide soorten DNA hebben evenveel complementaire basenparen A-T als C-G.
D
Beide soorten DNA liggen los in het cytoplasma van de cel.

Slide 14 - Quiz

Het stukje van een DNA molecuul heeft de volgende sequentie: TGCAAA
Wat is sequentie van de tegenoverliggende nucleotiden?
A
ACGTTT
B
TTTGCA
C
TGCAAA
D
AAACGT

Slide 15 - Quiz

Wat begrijp ik al van deze basisstof?

Slide 16 - Open question

Wat vind ik nog moeilijk van deze bassistof?

Slide 17 - Open question

Wat ga ik doen om de stof nog beter te begrijpen/eigen te maken?

Slide 18 - Open question