School words in English

School words in English

1 / 32
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEngelsMiddelbare schoolISK

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

School words in English

Open met herkenbare schoolcontext. Houd de introductie licht en concreet: vandaag leren leerlingen woorden die ze elke dag op school zien en gebruiken.

Doel

Ik kan schoolwoorden in het Engels herkennen en ze gebruiken in een korte, eenvoudige zin.

Dit volgt het opgegeven leerdoel in vereenvoudigde leerlingtaal, als één duidelijke 'Ik kan...'-zin.

Welke Engelse schoolwoorden ken je al?

Gebruik dit als korte activatie. Laat leerlingen losse woorden noemen zoals book, pen, teacher of classroom.

Woordenlijst

classroom - het klaslokaal

teacher - de leerkracht

desk - de tafel

chair - de stoel

book - het boek

pen - de pen

eraser - de gum

notebook - het schrift

school bag - de schooltas

English - Engels

math - rekenen/wiskunde

art - tekenen/kunst

PE - gym

I need ... - ik heb ... nodig

This item has no instructions

Van woord naar zin

Eerst herken je het woord, daarna gebruik je het in een zin.


  • book → This is my book.

  • pen → I need a pen.

  • chair → This is a chair.

Deze slide maakt de stap expliciet van losse woordenschat naar functioneel taalgebruik.

In het klaslokaal

Woorden voor de plek:


  • classroom = klaslokaal

  • teacher = leerkracht

  • desk = tafel

  • chair = stoel

Spreek de woorden hardop uit en laat leerlingen nazeggen. Koppel elk woord direct aan iets zichtbaars in het lokaal.

Waar zie je het?



  • The teacher is in the classroom.

  • The book is on the desk.

  • The chair is next to the desk.

Benadruk eenvoudige patroonzinnen: 'The ... is ...'. Houd de focus op betekenis en herkenning, niet op grammaticale termen.

Korte zinnen over de klas

Zinnen met school woorden:


  • This is my classroom.

  • The teacher has a book.

  • I sit on a chair.

  • My book is on the desk.

Wijs op het verschil tussen 'the' en 'my' alleen functioneel: 'my' is van mij. Geen uitgebreide uitleg nodig.

Schoolspullen

Woorden voor spullen die je op school gebruikt:


  • book = boek

  • pen = pen

  • eraser = gum

  • notebook = schrift

  • school bag = schooltas

Laat echte voorwerpen zien als dat kan. Herhaal vooral het verschil tussen 'book' en 'notebook'.

Welk woord betekent 'stoel'?

A

desk

B

chair

C

teacher

D

classroom

Controleert de basiswoordenschat van het eerste blok: classroom, teacher, desk, chair.

Vul de juiste woorden in

This is my classroom. The teacher is in the classroom. My book is on the desk. I sit on a chair.

classroom
teacher
desk
chair
book
pen
school bag
notebook

De zinnen sluiten direct aan bij slides 2-5 en testen herkenning in context.

Maak één korte zin met classroom of teacher.

Verwachte elementen: een kort A1-zinnetje met een juist schoolwoord uit het eerste blok, bijvoorbeeld 'This is my classroom.' of 'The teacher is here.' Bespreek mondeling en accepteer kleine spelfouten indien de betekenis duidelijk is.

Wat heb je nodig?

Met I need ... zeg je wat je nodig hebt.


  • I need a pen.

  • I need my book.

  • I need an eraser.

  • I need a notebook.

Benadruk het bruikbare zinsframe 'I need ...'. Dat is direct inzetbaar voor spreken en schrijven.

Mijn schooltas

Praten over je schooltas:


  • My school bag is big.

  • My book is in my school bag.

  • I have a pen and a notebook.

Model eventueel extra voorbeelden mondeling met 'My ... is in my school bag.' zonder extra nieuwe woordenschat toe te voegen.

Schoolspullen in zinnen

Je kunt nu woorden en zinnen combineren.


  • This is my book.

  • I write with a pen.

  • I use an eraser.

  • This is my notebook.

  • My school bag is big.

  • My book is in my school bag.

  • I have a pen and a notebook.

Kies eventueel één werkwoord per voorwerp: write, use. Houd de zinnen kort en voorspelbaar.

Wat neem je mee in je schooltas?

A

school bag

B

notebook

C

classroom

D

teacher

De afleiders komen uit andere woordgroepen, zodat leerlingen echt moeten onderscheiden tussen spullen en plaats/personen.

Vul de schoolwoorden in

I need a pen. This is my book. I use an eraser. I have a notebook in my school bag.

pen
book
eraser
notebook
chair
desk
teacher
classroom

Test de kernwoorden uit het blok schoolspullen in bekende zinsframes.

Oefen met je maatje: Welke zin zeg je eerst?

1

Is this your book?

2

This is my book.

3

What do you use?

4

I use an eraser.

5

Do you have a notebook?

6

Yes, I have a notebook.

This item has no instructions

Schoolvakken

Woorden voor vakken:


  • English

  • math

  • art

  • PE

De gebruiker vroeg om vakken; houd het klein en A1-passend. Spreek PE uit als letters.

Zinnen over vakken

Eenvoudige manieren om over vakken te praten:


  • I have English.

  • I have math.

  • I like art.

  • I like PE.

Focus op twee bruikbare patronen: 'I have ...' en 'I like ...'. Geen verdere uitbreiding nodig.

Vakken en schoolspullen

Zinnen met vakken en schoolspullen:


  • In English, I need a book.

  • In math, I need a pen.

  • In art, I need a notebook.

Hier komt de woordenschat samen. Laat zien dat woorden niet los staan maar samen in context gebruikt worden.

Welke zin past bij het vak art?

A

I need a notebook.

B

I need a chair.

C

I need a teacher.

D

I need a classroom.

Sluit aan bij slide 12, waar vakken gekoppeld worden aan schoolwoorden.

Vul vakken en spullen in

In English, I need a book. In math, I need a pen. I like art.

English
book
math
pen
PE
chair
desk
eraser

Alle blanks komen uit de zinnen op slides 10-12; de volgorde is door de betekenis vastgelegd.

Welk vak vind jij leuk? Schrijf: I like ...

Verwachte elementen: een correct vak uit de les (English, math, art, PE) en een eenvoudig patroon zoals 'I like ...' of 'I have ...'.

Handige zinnen

Deze korte zinnen helpen je praten over de klas:


  • This is a ...

  • I have a ...

  • I need a ...

  • My ... is on the desk.

  • The ... is in the classroom.

Dit is de kern van de productieve taal. Laat leerlingen de patronen invullen met bekende woorden.

Woorden in zinnen

Met dezelfde woorden kun je verschillende zinnen maken.


  • This is a chair.

  • I have a book.

  • My pen is on the desk.

  • The teacher is in the classroom.

Benadruk dat leerlingen met een klein aantal woorden al meerdere correcte zinnen kunnen maken.

Welke zin gebruikt een schoolwoord goed?

A

My pen is on the desk.

B

My classroom is a pen.

C

The teacher is in my book.

D

I need a classroom bag.

Controleert of leerlingen betekenisvol met de woorden en zinspatronen kunnen omgaan.

Van woord naar zin

This is a chair. I have a book. My pen is on the desk. The teacher is in the classroom.

chair
book
pen
classroom
eraser
notebook
school bag
math

Gebaseerd op de laatste samenvattende slides met zinspatronen en kernwoorden.

Schrijf één zin met een schoolwoord.

Verwachte elementen: één korte correcte zin met een bekend patroon, bijvoorbeeld 'I need a pen.' of 'This is my book.'

Welk Engels woord over school onthoudt jij het beste?

Laat leerlingen kort terugblikken op hun leerwinst. Geen goede of foute antwoorden.

Wat ging vandaag goed?

Gebruik de antwoorden om te horen welke werkvorm of slide het meest hielp.

Wat vond jij vandaag moeilijk?

Geeft de leerkracht zicht op lastige woorden of zinsframes voor herhaling.