2.3 - Vermogen en energie

Vermogen
Het elektrisch vermogen (P) is de hoeveelheid elektrische energie wat een apparaat per seconde verbruikt.

De eenheid van vermogen is Watt (W) 
of kilowatt (kW) 

Op ieder elektrisch apparaat staat het 
vermogen aangegeven op het typeplaatje.
1 / 12
next
Slide 1: Slide
Nask / TechniekMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 12 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Vermogen
Het elektrisch vermogen (P) is de hoeveelheid elektrische energie wat een apparaat per seconde verbruikt.

De eenheid van vermogen is Watt (W) 
of kilowatt (kW) 

Op ieder elektrisch apparaat staat het 
vermogen aangegeven op het typeplaatje.

Slide 1 - Slide

Stroom uitrekenen
Als je het vermogen (P) en de spanning (U) weet, kun je de hoeveelheid stroom die door het apparaat gaat berekenen met: 



Voorbeeld: Op een lamp staat: 230 V en 60 Watt.
Stroomsterkte = vermogen : spanning
Stroomsterkte = 60 W : 230 V = 0,26 Ampère


Stroomsterkte = vermogen : spanning

Slide 2 - Slide

Vermogen uitrekenen
Als je het de spanning (U) en  de stroomsterkte (I) weet, kun je het het vermogen van het apparaat gaan berekenen met: 



Voorbeeld: Op een typeplaatje staat: 230 V en 3,9 A.
Vermogen = spanning x stroomsterkte
Vermogen = 230 V x 3,9 A = 897 W (afgerond 900 W)


Vermogen = spanning x stroomterkte

Slide 3 - Slide

Spanning uitrekenen
Als je de stroomsterkte (I) en  het vermogen weet (P), kun je de spanning over het apparaat gaan berekenen met: 



Voorbeeld: Op een typeplaatje staat: 900 W en 3,9 A.
Spanning = vermogen : stroomsterkte
Spanning = 900 W : 3,9 A = 230,8 V (afgerond 230 V)


Spanning = vermogen : stroomsterkte

Slide 4 - Slide

Spanning, stroomsterkte en vermogen
Je kunt dus rekenen met spanning, stroomsterkte en vermogen.




                                                                                   
                                                                                                       Deze rekendriehoek kun je gebruiken om de                                                                                                               juiste rekenregel te vinden. Leg je vinger op                                                                                                               wat je wilt uitrekenen. 


                            


Slide 5 - Slide

Spanning, stroomsterkte en vermogen
                            Je legt je vinger op 'P' (het vermogen).
                           Je kunt de rekenregel gebruiken: vermogen (P) = spanning (U) x stroomsterkte


                            Je legt je vinger op 'U' (de spanning).
                           Je kunt de rekenregel gebruiken: spanning (U) = vermogen (P) : stroomsterkte (I) 


                            Je legt je vinger op 'I' (de stroomsterkte).
                           Je kunt de rekenregel gebruiken: Stroomsterkte (I) = vermogen (P) : spanning (U) 

Slide 6 - Slide

Groot en klein vermogen
Het elektrisch vermogen (P) is de hoeveelheid elektrische energie wat een apparaat per seconde verbruikt.

Apparaten die weinig warmte hoeven te
produceren hebben vaak een klein
vermogen. Apparaten die veel warmte
moeten produceren hebben
een groot vermogen.


Slide 7 - Slide

Groot en klein vermogen (2)
Apparaten die een klein vermogen hebben, werken vaak op een kleine spanning en weinig stroomsterkte:


Apparaten die een groot vermogen hebben, werken vaak op een grote spanning en veel stroomsterkte:


Slide 8 - Slide

Energie meten
De elektrische energie die je thuis gebruikt, moet je betalen.
De hoeveelheid energie wordt gemeten met een kWh-meter 
(een kilowattuur meter).

1 kWh = 1000 Watt per uur

Apparaten met een groot vermogen verbruiken dus 
veel energie! Dit kost dus meer geld!

Slide 9 - Slide

Energie uitrekenen
Je kunt de hoeveelheid verbruikte energie berekenen met de volgende rekenregel (Binas): 

Voorbeeld:
Een wasmachine met een vermogen van
2000 W staat 2 uur te 'draaien'. Bereken
de hoeveelheid verbruikte energie!

Slide 10 - Slide

Energie uitrekenen (2)
Uitwerking:
Het vermogen is 2000 W = 2 kW
Energie = vermogen x tijd
Energie = 2 kW x 2 h (uur)
Energie = 4 kWh

Slide 11 - Slide

Energie betalen
Voor energie die je thuis gebruikt, moet je betalen.
Ieder kWh kost ongeveer 25 eurocent (0,25 euro).

Rekenregel: Kosten = Energieverbruik x prijs

In ons voorbeeld van de wasmachine is het energieverbruik 4 kWh.
De kosten zijn dus: 4 kWh x 0,25 euro = 1 euro!

Slide 12 - Slide