Los adjetivos + los pronombres posesivos

¡BUENOS DÍAS!
¿Cómo están?
1 / 35
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

¡BUENOS DÍAS!
¿Cómo están?

Slide 1 - Slide

¿Qué vamos a hacer hoy?
- los adjetivos (bijvoeglijk naamwoord) Repaso 
- Pronombres posesivos (Bezittelijk voornaamwoord)

- el plural (meervoud)

Slide 2 - Slide

Las reglas de salón de clases
 Huisregels
  1. Bij binnenkomst spullen op tafel: Boeken en pen.
  2. Geen mobieltjes in de klas
  3. Als ik praat, zijn jullie stil  por favor.
  4. Steek je hand op als je iets wilt zeggen
  5. We luisteren naar elkaar. 

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

¡Bienvenidos a la clase de Español!
Hoy es ___________
Mañana es _____________

Slide 7 - Slide

¿QUÉ ES?
A
LA COCINA
B
EL DORMITORIO
C
EL BAÑO
D
EL SALÓN

Slide 8 - Quiz

¿QUÉ ES?
A
EL COMEDOR
B
EL SALÓN
C
EL BAÑO
D
LA TERRAZA

Slide 9 - Quiz

¿QUÉ ES?
A
EL COMEDOR
B
EL SALÓN
C
EL BAÑO
D
LA TERRAZA

Slide 10 - Quiz

¿QUÉ ES?
A
EL COMEDOR
B
EL SALÓN
C
EL BAÑO
D
LA TERRAZA

Slide 11 - Quiz

Los adjetivos 
Wat je moet weten:
  • Bijvoeglijke naamwoorden staan in het Spaans bijna altijd achter het zelfstandig naamwoord.
  • Bijvoeglijke naamwoorden richten zich naar het zelfstandig naamwoord waar ze bij staan (mannelijk/vrouwelijk/enkelvoud/meervoud)

Slide 12 - Slide

Meervoud van zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden.
  • Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op een klinker krijgen in het meervoud een -s.
vb: el chico inteligente --> los chicos inteligentes
        la casa grande          --> las casas grandes
  • Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op een medeklinker krijgen in het meervoud -es.
vb: el profesor genial --> los profesores geniales
       la situación difícil --> las situaciones difíciles
VERGEET NIET HET LIDWOORD OOK IN HET MEERVOUD TE ZETTEN!!!

Slide 13 - Slide

3. Bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op een medeklinker.
bijvoorbeeld: genial (geniaal), azul (blauw)

Bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op een medeklinker verandere niet wanneer ze bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord staan. 
vb: el coche azul (de blauwe auto)
        la carpeta azul (de blauwe map)

Slide 14 - Slide

Meervoud van zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden.
  • Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op een klinker krijgen in het meervoud een -s.
vb: el chico inteligente --> los chicos inteligentes
        la casa grande          --> las casas grandes
  • Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op een medeklinker krijgen in het meervoud -es.
vb: el profesor genial --> los profesores geniales
       la situación difícil --> las situaciones difíciles
VERGEET NIET HET LIDWOORD OOK IN HET MEERVOUD TE ZETTEN!!!

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

la casa - bonito

Slide 17 - Open question

el libro - bonito

Slide 18 - Open question

la profesora - genial

Slide 19 - Open question

la información - interesante

Slide 20 - Open question

zet in het meervoud:
la casa grande

Slide 21 - Open question

zet in het meervoud:
el exámen difícil

Slide 22 - Open question

la chica inteligente

Slide 23 - Open question

zet in het meervoud:
el profesor simpático

Slide 24 - Open question

¡Buen trabajo!

Slide 25 - Slide

Bezittelijk vnw.
  • Het bezittelijk vnw. richt zich in het Spaans op het bezit en niet naar de bezitter zoals in het Nederlands. 
  • Is het bezit meervoud, dan wordt het bezittelijk vnw. ook meervoud --> mis/sus/nuestros
  • Bij nuestro/vuestro heb je ook nog een vrouwelijke vorm
    --> nuestra/vuestra. 

Slide 26 - Slide

voorbeelden:
Kijk dus naar het woord wat erachter staat! Is dit mannelijk of vrouwelijk / enkelvoud of meervoud? 
Dan pas je het bezittelijk vnm. daarop aan

  • mi casa                         =   mijn huis
  • tus libros                      =   jouw boeken
  • nuestra profesora        =   onze lerares
  • sus amigos                   =   zijn/haar vrienden

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Slide

Bezittelijk vnw.
mijn
jouw
zijn/haar/uw
ons/onze
jullie
hun/uw
mi
tu
su
nuestro
vuestro
su
mi
tu
su
nuestra
vuestra
su
mis
tus
sus
nuestros
vuestros
sus
mis
tus
sus
nuestras
vuestras
sus
enkelvoud                  meervoud

Slide 30 - Slide

Quien es? over een ander
  es... (hij/zij is)   lleva..... (hij/zij draagt)  tiene..... (hij/zij heeft)
hij is groot
zij is klein
zij heeft lang haar
hij heeft bruine ogen
zij draagt een staart
hij draagt een shirt
zij is blond

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Slide

La descripción física

Slide 33 - Slide

¿Qué?  Tienes que describir a tu compañero-a
-   Usa el Verbo tener, ser y llevar
- adjetivos y pronombres posesivos min 10 oraciones! 
¿Cómo? individualmente
¿Tiempo? 15 min
¿Meta?  practicar  gram.  
Geen google vertaler!
                
¡A trabajar!
timer
15:00

Slide 34 - Slide

¡Hasta la próxima clase!

Slide 35 - Slide