Laatste les 2026

Nederlands quiz 
1 / 32
next
Slide 1: Slide
NederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Nederlands quiz 

Slide 1 - Slide

Ik ben groter ........ jij.
A
dan
B
als

Slide 2 - Quiz

Hij is slimmer ....... het gemiddelde kind.
A
dan
B
als

Slide 3 - Quiz

Het meervoud van café is:
A
Caféétjes
B
Café's
C
Cafés
D
Caféés

Slide 4 - Quiz

Ik ga zo reageren op .......... vraag.
A
jou
B
jouw

Slide 5 - Quiz

Het juiste hoofdletter gebruik is:
1. Mevrouw Van Der Vries
2. Mevrouw Van der Vries
A
zin 1
B
zin 2
C
Zin 1 en 2
D
Beide onjuist

Slide 6 - Quiz

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over het zelfstandig naamwoord.
A
juist
B
onjuist

Slide 7 - Quiz

Geef een voorbeeld van een bijvoeglijk naamwoord:

Slide 8 - Open question

Deze tafel is even groot ........ die van jou.
A
dan
B
als

Slide 9 - Quiz

Het meervoud van porie is:
A
poriën
B
porieën
C
pories
D
porieës

Slide 10 - Quiz

Landen schrijf je altijd met een hoofdletter.
A
onjuist
B
juist

Slide 11 - Quiz

Maak de zin correct:
zij is op vakantie in spanje dit jaar

Slide 12 - Open question

....... meisje heeft blond haar.
A
Die
B
Deze
C
Dat
D
Dit

Slide 13 - Quiz

Een werkwoord is iets dat je kan doen.
A
juist
B
onjuist

Slide 14 - Quiz

Het woord 'appelboom' schrijf je aan elkaar.
A
juist
B
onjuist

Slide 15 - Quiz

Maak een zin met een lidwoord.

Slide 16 - Open question

Deze quiz is even leuk ......... een les met veel uitleg volgen.
A
als
B
dan

Slide 17 - Quiz

De zon ......... (schijnen) al de hele week.
A
schijn
B
schijnt

Slide 18 - Quiz

Welke zin is waar:
1. Pasen schrijf je zonder hoofdletter.
2. Paashaas schrijf je met hoofdletter.
A
zin 1
B
zin 2
C
beide zijn juist
D
beide zijn onjuist

Slide 19 - Quiz

Wat is de juiste spelling?
A
Autoongeluk
B
auto ongeluk
C
autosongeluk
D
auto-ongeluk

Slide 20 - Quiz

Maak een zin met een onderwerp, een werkwoord, een lidwoord en een zelfstandig naamwoord.

Slide 21 - Open question

Afblijven! Dat is ........ pen.
A
me
B
mij
C
mijn
D
men

Slide 22 - Quiz

Ik weet wat een sterk werkwoord is.
A
Ja
B
Nee

Slide 23 - Quiz

Geef een voorbeeld van een sterk werkwoord:

Slide 24 - Open question

Dat is ...... beste vriend toch?
A
jou
B
jouw

Slide 25 - Quiz

Ik ........ (lopen) door de klas gisteren.
A
loop
B
liep
C
gelopen

Slide 26 - Quiz

Zij is naar de stad ......... (fietsen).
A
fietst
B
fietste
C
gefietst
D
gefietste

Slide 27 - Quiz

Ik .......... (vinden) school super leuk.
A
vind
B
vindt

Slide 28 - Quiz

Morgen is jullie laatste dag school.
A
juist
B
onjuist
C
gelukkig wel
D
ja helaas wel

Slide 29 - Quiz

Wat heb je geleerd bij het vak Nederlands?

Slide 30 - Open question

Opdracht:
Schrijf in minimaal 40 woorden op hoe jij je Nederlands kan verbeteren. 

Slide 31 - Slide

Gefeliciteerd! 
De komende zes weken hoef je niet meer aan Nederlands te werken :) 

Slide 32 - Slide