NOVA nask onderbouw kgt H5 bewegen

nask Hoofdstuk 5 bewegen
1 / 34
next
Slide 1: Slide
Nask / TechniekMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

nask Hoofdstuk 5 bewegen

Slide 1 - Slide

Met een camera kun je een beweging vastleggen op een stroboscopische foto.
Hoe maak je een stroboscopische foto?
A
door de sluiter open te laten en constant te belichten
B
door de sluiter open te laten en te verlichten met een aantal korte lichtflitsen
C
door een hele reeks foto’s vlak achter elkaar te maken en constant te belichten
D
door een hele reeks foto’s vlak achter elkaar te maken met korte lichtflitsen

Slide 2 - Quiz

In afbeelding 1 (volgende dia)
zie je een stroboscopische foto.
Hoeveel keer is er belicht?

A
1
B
4
C
5
D
6

Slide 3 - Quiz

In afbeelding 1 zie je een stroboscopische foto.
 Hoeveel keer is er belicht?
vraag 2

Slide 4 - Slide

Een videocamera maakt 30 beeldjes per seconde.
Hoeveel beeldjes zijn er nodig om een beweging van 3 s vast te leggen?

A
3
B
30
C
33
D
90

Slide 5 - Quiz


In afbeelding 2 zie je een afstand-tijddiagram met een fout erin.
Wat is er fout aan het diagram?
zie volgende dia!

A
De eenheden voor afstand en tijd kloppen niet.
B
De horizontale as en de verticale as zijn verwisseld
C
De schaalverdeling langs de afstand-as klopt niet.
D
De schaalverdeling langs de tijd-as klopt niet.

Slide 6 - Quiz

Slide 7 - Slide

Runa heeft van een fietstocht een afstand-tijdtabel gemaakt. Zij maakt een afstand-tijddiagram en tekent daar een lijn in.
Wat voor lijn moet dat zijn?

A
een lijn die zo goed mogelijk aansluit bij de punten in het assenstelsel
B
een rechte lijn tussen de eerste en de laatste punt in het assenstelsel
C
kromme lijnen tussen alle punten in het assenstelsel
D
rechte lijnen tussen de verschillende punten in het assenstelsel

Slide 8 - Quiz

Een wandeling van 12 km heeft 3 uur geduurd.
Wat was de gemiddelde snelheid
in km per uur?

A
0,25 km/h
B
4 km/h
C
9 km/h
D
36 km/h

Slide 9 - Quiz

Een topsporter loopt 100 m in 10 s.
Wat is zijn gemiddelde snelheid in km/h?

A
2,8 km/h
B
10 km/h
C
28 km/h
D
36 km/h

Slide 10 - Quiz

Een motorrijder rijdt 15 minuten met een gemiddelde snelheid van 78 km/h.
Hoeveel kilometer legt hij in die tijd af?

A
5,2 km
B
19,5 km
C
20,5 km
D
82 km

Slide 11 - Quiz

In afbeelding 3 zie je een stroboscopische ‘foto’ van een vallende bal.
Wat voor beweging is dit?



A
een beweging met constante snelheid
B
een versnelde beweging
C
een vertraagde beweging

Slide 12 - Quiz

In afbeelding 4 zie je een afstand-tijddiagram.
Wat voor beweging is dit?



A
een beweging met constante snelheid
B
een versnelde beweging
C
een vertraagde beweging

Slide 13 - Quiz

Een auto komt hard aanrijden en moet plotseling stoppen voor een rood verkeerslicht.
Wat voor beweging is dit?

A
een beweging met constante snelheid
B
een versnelde beweging
C
een vertraagde beweging

Slide 14 - Quiz

Een auto die 80 km/h rijdt, heeft een kortere remweg dan een auto die 90 km/h rijdt.
Hoe komt dat?

A
De beginsnelheid is dan kleiner.
B
De massa is dan groter.
C
De remkracht is dan groter

Slide 15 - Quiz

Een bestuurder ziet plotseling een fietser van het fietspad de weg op rijden. Hij trapt 0,8 s daarna op de rem.
Wat kun je zeggen over de reactietijd van deze bestuurder?

A
Hij heeft een langzame reactie
B
Hij heeft een normale reactie.
C
Hij heeft een snelle reactie

Slide 16 - Quiz

Je hebt de reactie-afstand, de remweg en de stopafstand.
Welke berekening klopt niet?

A
reactie-afstand = stopafstand + remweg
B
remweg = stopafstand – reactie-afstand
C
stopafstand = reactie-afstand + remweg

Slide 17 - Quiz

Welke twee uitspraken zijn goed?

(je kunt maar 1 kiezen)
A
Als de beginsnelheid groter is, dan wordt de reactie-afstand ook groter.
B
Als de beginsnelheid groter is, dan wordt de reactietijd ook groter.
C
Als de reactietijd groter wordt, dan blijft de remweg hetzelfde.
D
Als de reactietijd groter wordt, dan wordt de stopafstand kleiner.

Slide 18 - Quiz

In afbeelding 5 ( volgende dia)
zie je een stroboscopische foto van een bal die naar beneden rolt.

De tijd tussen de lichtflitsen is 0,04 s.

a Hoeveel keer is de bal belicht?

Slide 19 - Open question

Slide 20 - Slide

Kijk nogmaals op afbeelding 5
Hoeveel tijd zit er tussen het eerste en het laatste beeldje van de bal?
Noteer je berekening.

Slide 21 - Open question

In afbeelding 7 ( volgende dia)
zie je een afstand-tijddiagram van een fietstocht.
Wat is de totale afstand die de fietser heeft afgelegd?


Slide 22 - Open question


Een klein hokje is 2 minuten waard.

Slide 23 - Slide

Hoelang heeft de fietser daarover gedaan?
( afbeelding vorige bladzijde)

Slide 24 - Open question

Bereken de gemiddelde snelheid van de fietser in km/h.
Schrijf de formule die je gebruikt,
en de hele berekening op.

Slide 25 - Open question

Een schaatser rijdt de 1500 meter
in 1 minuut en 45 seconden
a. Hoeveel seconden is dat?

Slide 26 - Open question

Een schaatser rijdt de 1500 meter in 1 minuut en 45 seconden.

b. Bereken de gemiddelde snelheid in m/s.
Schrijf de hele berekening op.
Rond je antwoord af op één decimaal.

Slide 27 - Open question

Een schaatser rijdt de 1500 meter in 1 minuut en 45 seconden.

c. Reken de afgeronde snelheid van vraag b om naar km/h.
Schrijf de hele berekening op en rond je antwoord af op twee decimalen.

Slide 28 - Open question

Ilhan woont 4,5 km van school.
Hij fietst in een kwartier van huis naar school.

Wat is de gemiddelde snelheid van Ilhan in km/h?
Schrijf de hele berekening op.

Slide 29 - Open question

In afbeelding 8 (volgende dia)
zie je het afstand-tijddiagram van een autorit.

a Wanneer was de beweging van de auto vertraagd?
b Wanneer was de beweging van de auto versneld?
c Wanneer was de beweging van de auto constant?
d Wanneer stond de auto stil?



Slide 30 - Open question

Afbeelding 8
zie ook werkblad

Slide 31 - Slide

In afbeelding 9 (volgende dia)
zie je het verband tussen de beginsnelheid, de stopafstand en de remweg.
a Hoe groot is de remweg bij een beginsnelheid van 40 km/h?
b Hoe groot is de remweg bij een beginsnelheid van 80 km/h?
c Welk verband is er dus tussen de beginsnelheid en de remweg?

Slide 32 - Open question

afbeelding 9

Slide 33 - Slide

Maikel rijdt met een snelheid van 50 km/h door de stad.
Plotseling ziet hij 35 m voor zich een kind de weg op rennen.

Leg met behulp van afbeelding 9 (vorige dia)
uit of Maikel op tijd stilstaat om een ongeluk te voorkomen.

Slide 34 - Open question