Thema 2 - Voorbereiding toets

Voorbereiding toets hfst 2
1 / 15
next
Slide 1: Slide
NederlandsPraktijkonderwijsLeerjaar 4

This lesson contains 15 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Voorbereiding toets hfst 2

Slide 1 - Slide

Wat kun je verwachten?
- Moeilijke woorden en spreekwoorden 
-  klinkers/mederklinkers 
- lettergrepen 
- woordsoorten 
- tekstdoelen 
- kaartje schrijven

Slide 2 - Slide

Doelen
Vak: Ik bereid me voor op de toets van hoofdstuk 1

ABC: Ik heb een actieve werkhouding

Slide 3 - Slide

We oefenen vandaag extra met:
Moeilijke woorden
Lettergrepen
Woordsoorten

Slide 4 - Slide

Opdracht: moeilijke woorden
Je krijgt 6 lege kaartjes met een stift.
Er komen zo  6 woorden op het bord te staan. 
Schrijf deze woorden over. Op elk kaartje komt 1 woord.

Hierna komen 6 omschrijvingen. 
Kies het kaartje met het woord wat bij de omschrijving hoort. 
Als ik het aangeef, steek je het juiste kaartje omhoog.

Slide 5 - Slide

6 moeilijke woorden:
Behandeling
Conditie
Medicijn
Koorts
Gezondheid
Recept

Slide 6 - Slide

Uitleg 1
Een te hoge temperatuur van het lichaam waardoor iemand zich ziek voelt.
(Gisteren had ik .... en heb ik ziek in bed gelegen.)
timer
0:20

Slide 7 - Slide

Uitleg 2
Een middel tegen ziekte, een geneesmiddel.
(Door dit .... zul je snel beter worden.)
timer
0:20

Slide 8 - Slide

Uitleg 3
Een briefje van de dokter waarop staat welk medicijn je moet krijgen.
(Tim ging met het .... naar de apotheek om een medicijn te halen.)
timer
0:20

Slide 9 - Slide

Uitleg 4
De verzorging door een dokter.
(Mijn moeder ging naar een goede dokter voor de .... van haar hoofdpijn.)
timer
0:20

Slide 10 - Slide

Uitleg 5
Of je fit bent of niet.
(Maartje sport veel en heeft daardoor een goede ....)
timer
0:20

Slide 11 - Slide

Uitleg 6
Hoe het met jouw lichaam gaat (of je bijvoorbeeld ziek bent of niet).
(Anouk moest naar het ziekenhuis toen het slechter ging met haar ....)
timer
0:20

Slide 12 - Slide

Lettergrepen oefenen
Je ziet zo een dia met woorden. 
Hak de woorden in stukjes (lettergrepen) en schrijf ze op een blaadje. 
Klaar? Vergelijk met je buurman/buurvrouw. Als je allebei een ander antwoord hebt  bespreek je wat het goede antwoord is.

Tijd over? Vul het blaadje aan met nog meer woorden.

Slide 13 - Slide

Hak in lettergrepen en schrijf op
Schoolgebouw
Telefoon
Mondkapje
Bank
Werkstuk
Boekenkast
Hoofdstuk
Afspraken
Stage
Boek
Schoolkantine

Slide 14 - Slide

Oefenen met woordsoorten
Onbepaald lidwoord
De - het

Je kunt maar één van deze twee lidwoorden gebruiken.

De stoel
Het raam
Onbepaald lidwoord
Een

Dit lidwoord kan je altijd gebruiken.

Een stoel
Een raam
Zelfstandig naamwoord
Mensen, dieren, dingen.

Hier kun je bijna altijd een lidwoord voor zetten.

De stoel
Het raam

Bijvoeglijk naamwoord
Vertelt iets meer over een zelfstandig naamwoord.
Staat tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord in.

De rode stoel.
Het grote raam.

Slide 15 - Slide