Les 1.2 Fasen en faseovergangen

Leerdoelen 1.2 Fasen en faseovergangen
  • Je kunt de vier belangrijkste kenmerken van het deeltjesmodel noemen.
  • Je kunt de toestandsaanduidingen (fasen) met hun betekenis beschrijven.
  • Je kunt de zes faseovergangen benoemen.
  • Je kunt uitleggen welke invloed verandering van temperatuur heeft op de snelheid en onderlinge aantrekkingskracht van moleculen.
  • Je kunt uitleggen waarom veranderingen in de snelheid van moleculen en hun onderlinge aantrekkingskracht een faseovergang tot gevolg kunnen hebben. 
1 / 22
next
Slide 1: Slide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 3

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Leerdoelen 1.2 Fasen en faseovergangen
  • Je kunt de vier belangrijkste kenmerken van het deeltjesmodel noemen.
  • Je kunt de toestandsaanduidingen (fasen) met hun betekenis beschrijven.
  • Je kunt de zes faseovergangen benoemen.
  • Je kunt uitleggen welke invloed verandering van temperatuur heeft op de snelheid en onderlinge aantrekkingskracht van moleculen.
  • Je kunt uitleggen waarom veranderingen in de snelheid van moleculen en hun onderlinge aantrekkingskracht een faseovergang tot gevolg kunnen hebben. 

Slide 1 - Slide

Deeltjesmodel
  • Elke stof is opgebouwd uit heel kleine deeltjes: moleculen. 
  • Elke stof bestaat uit zijn eigen soort moleculen
  • Moleculen bewegen voortdurend
  • Als de temperatuur stijgt, gaan moleculen sneller (heftiger) bewegen)
  • Moleculen trekken elkaar aan 

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Link

Fasen
Vaste stof (s)
Vloeistof (l)
Gas (g)

Opgelost in water (aq)

Slide 4 - Slide

Faseovergangen

Slide 5 - Slide

Sleep de faseovergang naar het juiste nummer in de afbeelding
vloeibaar
vast
gas

Slide 6 - Drag question

Sleep de faseovergang naar het juiste nummer in de afbeelding
verdampen
stollen
rijpen
condenseren
vervluchtigen/sublimeren
smelten

Slide 7 - Drag question

Water (s) --> water (l)?

A
Rijpen
B
Stollen
C
Smelten
D
Condenseren

Slide 8 - Quiz

Water (s) --> water (g)?


A
Rijpen
B
Sublimeren
C
Stollen
D
Condenseren

Slide 9 - Quiz

Water (g) --> water (l)?


A
Rijpen
B
Sublimeren
C
Stollen
D
Condenseren

Slide 10 - Quiz

Maken opgaven: 3 t/m 13
Blz 22 t/m 26

Slide 11 - Slide

3
  • Condenseren
  • Verdampen
  • Smelten
  • Stollen
  • Rijpen
  • Sublimeren 

Slide 12 - Slide

4
  • a. Vaste fase
  • b. In de gasvormige fase 

Slide 13 - Slide

5
  • a. Groter, kleiner
  • b. Groter, kleiner

Slide 14 - Slide

6
  • a. Niet waar: de aantrekkingskracht is groot genoeg om moleculen dicht bij elkaar te houden. 
  • b. Waar: elke stof bestaat uit zijn eigen soort moleculen. 
  • c. Niet waar: de moleculen trillen. 
  • d. Niet waar: sublimeren is een fase-overgang. 
  • e. Waar: de afstand tussen moleculen is groot. 

Slide 15 - Slide

7
  • Er is géén sprake van een faseovergang. 
  • De stof is veranderd (er is een nieuwe stof ontstaan), je kan het rauwe eiwit na afkoelen niet terug krijgen.  

Slide 16 - Slide

8
  • a. Verhitten: er komt dan een faseovergang (namelijk smelten: vast--> vloeibaar)
  • b. Aantrekkingskracht neemt af. 

Slide 17 - Slide

9
  • a. Gasvormige fase
  • b. Verdampen (vloeibaar --> gas)

Slide 18 - Slide

10
  • a. Faseovergang: stollen (vloeibaar --> vast)
  • b. Scheikundige reactie: er ontstaat een nieuwe stof die melk zuur laat smaken. 
  • c. Faseovergang: verdampen (vloeibaar --> gas)
  • d. Faseovergang: verdampen (vloeibaar --> gas)
  • e. Scheikundige reactie: er ontstaan nieuwe stoffen, de appel krijgt andere kleur/geur/smaak

Slide 19 - Slide

11
  • C

Slide 20 - Slide

12
  • niet
  • wel
  • niet
  • wel

Slide 21 - Slide

13
  • A

Slide 22 - Slide