A2 TC 1.5 en 1.6 en herhaling

Welkom
allemaal!


woensdag
5 november 2025
1 / 38
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Welkom
allemaal!


woensdag
5 november 2025

Slide 1 - Slide

Doelen
  • Vandaag leren we vragen stellen over een persoon of over een huis
  • Antwoord geven op vragen in hele zinnen
  • Spreken over je huis, vertellen hoe het eruit ziet
  • Vragen schrijven met de vraagwoorden
  • je weet hoe je 'er is/er zijn' gebruikt

Slide 2 - Slide

programma
  • lezen over de bewoners van de Julianastraat
  • 1.5 Hoe gaat het?
  • Luisteropdracht
  • Praten over het huis en verhuizen. 
  • Wat wil je weten? Welke vragen stel je? 
  • 1.6 Er is-Er zijn





Slide 3 - Slide

TC A2 - 1.3 herhaling

Slide 4 - Slide

Dit is mijn familie
Je kunt voorstellen of presenteren door 
dit is, dat is
dit zijn, dat zijn
te gebruiken.

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Dichtbij?  dit
Ver weg? dat

Enkelvoud? is
Meervoud? zijn

Slide 7 - Slide

Dit ______ mijn moeder.

Slide 8 - Open question

Dat ______ nieuwe flats.

Slide 9 - Open question

Dit _____ een groene fiets.

Slide 10 - Open question

Dat ______ mijn vriend.

Slide 11 - Open question

Dit ______ prachtige kamers.

Slide 12 - Open question

A2 TC 1.5 en 1.6

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Video

Slide 15 - Slide


  • gefeliciteerd      

Slide 16 - Slide

Hier staan veel huizen, het is een ...

  • wijk                       
  • de woonwijk     
  • de woonwijken

Slide 17 - Slide

Dit huis heeft een ... 

  • licht interieur       
  • modern interieur
  • ruime indeling     

Slide 18 - Slide

Deze muur is 4 ...

  • vierkante meter    
  • m²                                
  •  1 meter x 1 meter 

Slide 19 - Slide


  • verhuizen         

Slide 20 - Slide

Verhuizen is een grote klus, ze zijn ... dat ze klaar zijn!
 

  • blij                        

Slide 21 - Slide

Ik heb een nieuwe buurman.
We gaan .....
A
luisteren
B
heten
C
geven
D
kennismaken

Slide 22 - Quiz

Met wie woon jij in Nederland?
A
Ik woon in Roermond.
B
Ik kom uit Polen.
C
Ik woon samen met mijn familie.
D
Ik woon bij mijn buren.

Slide 23 - Quiz

Hoeveel broers en zussen heb jij?
A
Ik heb twee broers en drie zussen
B
Mijn broer en zus zijn op school
C
Ik heb een broer en een zus
D
Ik heb een grote familie

Slide 24 - Quiz

Wat doe jij graag samen met jouw familie?
A
Wij gaan op zaterdag naar de stad
B
Wij eten en praten samen
C
Wij leren Nederlands en lopen naar school
D
Wij hebben geen huisdier

Slide 25 - Quiz

Welke zin is goed?
A
Mijn familie hebt een huis.
B
Mijn familie heeft een huis.
C
Mijn familie hebben een huis.
D
Mijn familie heb een huis.

Slide 26 - Quiz


______ jij een grote familie?
A
Heb
B
Heeft
C
Hebben
D
Hebt

Slide 27 - Quiz

modern
de hamer
verhuizen
de buren
zwanger

Slide 28 - Drag question

Maak de zin af:
Mijn huis is heel modern, wij hebben....

Slide 29 - Open question

Wij gaan .........., we hebben een huis in Amsterdam gekocht.

Slide 30 - Open question

Ik woon in de Tolberg, dat is een fijne ....... in Roosendaal.

Slide 31 - Open question

Hamza is heel boos, want zijn nieuwe huis heeft geen.......

Slide 32 - Open question

Het huis

Slide 33 - Mind map

Er is/zijn een mooie tuin bij mijn huis.
A
is
B
zijn

Slide 34 - Quiz

Er is/zijn veel winkels in de buurt.
A
is
B
zijn

Slide 35 - Quiz

Er is/zijn een station in mijn stad.
A
is
B
zijn

Slide 36 - Quiz

Er is/zijn een zwembad in mijn achtertuin.
A
is
B
zijn

Slide 37 - Quiz

Maak zelf een zin met 'er is' of 'er zijn'
over jouw slaapkamer.

Slide 38 - Open question