Verwijswoorden

Lesplanning
• Boek kiezen voor periode 2 (fictie, niet vertaald)
 
• Uitdelen feedback PO Taal voor de leuk

• §5.5: Verwijzen
o Opdrachten: 3, 4 en 5

1 / 40
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Lesplanning
• Boek kiezen voor periode 2 (fictie, niet vertaald)
 
• Uitdelen feedback PO Taal voor de leuk

• §5.5: Verwijzen
o Opdrachten: 3, 4 en 5

Slide 1 - Slide

Lesdoelen
Aan het einde van de les...

...kun je de juiste verwijswoorden gebruiken;

...kun je verschillende woordsoorten benoemen.

Slide 2 - Slide

Woordsoorten!?
Elk woord in een zin kun je benoemen.



Slide 3 - Slide

Welke voornaamwoorden staan in deze zin:

Hij heeft dat boek van mij gejat.
A
persoonlijk en bezittelijk
B
aanwijzend en persoonlijk
C
alleen persoonlijk
D
alleen bezittelijk

Slide 4 - Quiz

Welk werkwoord staat er in deze zin?

"De leerlingen maken hun huiswerk."
A
hulpwerkwoord
B
zelfstandig werkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 5 - Quiz

Welk werkwoord staat in deze zin?

"De leerlingen zijn ijverig."
A
hulpwerkwoord
B
zelfstandig werkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 6 - Quiz


Een aanwijzend voornaamwoord ...
A
... vraagt naar iets of iemand.
B
... is vaag en verwijst naar iets of iemand maar je weet het niet precies.
C
... wijst iets of iemand aan.
D
... bestaat helemaal niet.

Slide 7 - Quiz

Deze, die, dat en dit zijn aanwijzende voornaamwoorden.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 8 - Quiz

Welk voornaamwoord herken je in onderstaande zin?

Mijn vader komt graag naar mijn wedstrijden kijken.
A
aanw. vnw.
B
bez. vnw.
C
pers. vnw.
D
vr. vnw.

Slide 9 - Quiz

Aantekening: verwijswoorden 214
'hen' gebruik je als lijdend voorwerp:
"Mijn vrienden voetballen ook, ik zie hen altijd op de training."

'hen' gebruik je na een voorzetsel:
"Ook ga ik graag met hen op vakantie."

'hun' gebruik je als meewerkend voorwerp:
"Geef jij hun een cadeau voor hun zilveren bruiloft?"

Slide 10 - Slide

Aantekening: verwijswoorden blz. 214
functie v/e verwijswoord = terugverwijzen naar een of meerdere woorden die eerder genoemd zijn; het antecedent

'Wat' gebruik je bij terugverwijzen in de volgende situaties:
1. overtreffende trap --> Het allermooiste wat ik ooit gezien heb...

2. woorden als alles, enige, iets, niets, veel -->  Het enige wat ik wil, is een weekje vakantie.

3. een hele zin --> Barry wilde graag aanvoerder worden, wat de coach een goed idee vond.

4. Naar mensen verwijs je met voorzetsel + wie --> Het meisje met wie ik samen naar school fiets, woont vlakbij.

5. Naar dieren en dingen verwijs je met daar/waar + voorzetsel --> De auto waarmee we op wintersport gaan, heeft sneeuwkettingen.


Slide 11 - Slide

Aan de slag!
Maak opdracht 2 t/m 5, blz. 215.

Je werkt in tweetallen,
je mag fluisterend overleggen.

Je hebt 20 minuten de tijd.

Klaar = boek uitkiezen!




timer
20:00

Slide 12 - Slide

Lesdoelen??
Aan het einde van de les...

...kun je de juiste verwijswoorden gebruiken;

...kun je verschillende woordsoorten benoemen.

Slide 13 - Slide

Welkom!
Aan het einde van de les kun je...

...fouten met verwijswoorden herkennen en verbeteren;

...heb je een boek (fictie, niet vertaald) uitgekozen voor je 
boekopdracht.

Slide 14 - Slide

Terugblik


Vul het juiste verwijswoord in.

Slide 15 - Slide

Vorige week verscheen in de krant een artikel ... veel stof deed opwaaien.
A
die
B
dat

Slide 16 - Quiz

Dat is het leukste ... ik ooit gehoord heb.
A
dat
B
wat

Slide 17 - Quiz

Sofie en Daniel zijn leerlingen ... ik graag samenwerk.
A
met wie
B
waarmee

Slide 18 - Quiz

Stijn kwam voor de derde keer op rij te laat, ... de docent niet kon waarden.
A
dat
B
wat

Slide 19 - Quiz

Opdrachten bespreken, blz. 215
Opdracht 2 t/m 5, blz. 215
timer
15:00

Slide 20 - Slide

Aan de slag!
Lees theorie, blz. 232: Fouten met verwijswoorden.

Maak opdracht 2 & 4, blz. 233.

Je werkt in tweetallen, je mag fluisterend overleggen.

Je hebt 15 minuten de tijd. 

Daarna klassikaal bespreken.
timer
15:00

Slide 21 - Slide

Lesdoelen?
Aan het einde van de les kun je...

...fouten met verwijswoorden herkennen en verbeteren;

...heb je een boek (fictie, niet vertaald) uitgekozen voor je boekopdracht.

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Video

Wat is het woordje 'haar' in onderstaande zin?

"De jongen wees naar haar."
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord

Slide 24 - Quiz

"Als iemand een medaille wint, ben jij het wel."

iemand =
A
pers. vnw.
B
vr. vnw.
C
aanw. vnw.
D
onb. vnw.

Slide 25 - Quiz

Hier regelt iedereen gewoon alles voor elkaar.

Wat is het woordje 'gewoon'?
A
bijwoord
B
vragend voornaamwoord
C
aanwijzend voornaamwoord
D
onbepaald voornaamwoord

Slide 26 - Quiz

Welk werkwoord staat er in deze zin?

"Veel leerlingen zijn deze week ziek."
A
hulpwerkwoord
B
zelfstandig werkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 27 - Quiz

Welk werkwoord staat in deze zin?

"Mijn vader is rector op een grote middelbare school in Amsterdam."
A
hulpwerkwoord
B
zelfstandig werkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 28 - Quiz

Huiswerk
Lees theorie blz. 94 over wederkerend en wederkerig voornaamwoord!

Slide 29 - Slide

Welkom!
Aan het einde van de les...

...kun je verschillende woordsoorten benoemen;

...kun je verwijswoorden op de juiste manier gebruiken in een zin.

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Slide

Verwijswoorden
Startopdracht, blz. 96

Mijn ouders kochten een vakantiehuis in Frankrijk, wat wij erg leuk vonden.

Mijn ouders kochten een vakantiehuis, dat wij erg leuk vonden.

Wat is het verschil in betekenis in beide zinnen?

Slide 32 - Slide

Aan de slag!
1. Lees theorie op blz. 96.

2. Maak opdracht 1 , 2 & 3, blz. 97.

3. Nakijken via Showbie.

4. Iets voor jezelf doen.

Slide 33 - Slide

Lesdoelen??
Aan het einde van de les...

...kun je verschillende woordsoorten benoemen;

...kun je verwijswoorden op de juiste manier gebruiken in een zin.

Slide 34 - Slide

Welkom!
Aan het einde van de les...

...kun je de juiste verwijswoorden in een zin gebruiken;

...kun je woordsoorten benoemen in een zin;

...kun werkwoorden op de juiste manier schrijven.

Slide 35 - Slide

Opdracht
Benoem alle woorden in onderstaande zin 
(zie opdracht 2, blz. 95 voor de woordsoorten).

Drie leerlingen hebben gisteren het schoolplein geveegd, nadat ze kleine gummetjes hadden gegooid tijdens hun natuurkundeles.

Slide 36 - Slide

Huiswerk
Opdracht 1 & 2, blz. 95 vind je in Showbie.

Opdracht 1 t/m 3, blz. 97 bespreken we klassikaal.

Slide 37 - Slide

Werkwoordsvormen
(herhaling, zie aantekening H1)

infinitief 
pvtt
pvvt
voltooid deelwoord
onvoltooid deelwoord
gebiedende wijs
vd als bn

Slide 38 - Slide

Aan de slag!
Maak opdracht 9 & 10, blz. 101 .


Leer:
- verwijswoorden (blz. 92 & 93 & 96)
- woordsoorten (blz. 94, 251 t/m 255)

Slide 39 - Slide

Lesdoelen??
Aan het einde van de les...

...kun je de juiste verwijswoorden in een zin gebruiken;

...kun je woordsoorten benoemen in een zin;

...kun werkwoorden op de juiste manier schrijven.

Slide 40 - Slide