(1F maandag) Rekentekens en vergelijken

1 / 29
next
Slide 1: Slide
New lesson editorRekenenISK

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

This item has no instructions



Niet door les heen praten

This item has no instructions

Wat gaan we doen vandaag?

  1. Herhaling rekenwoorden

  2. Leren nieuwe tekens

  3. Werken in het werkboek

  4. Afsluiten 


This item has no instructions

Rekentekens en vergelijken

This item has no instructions

Welke rekentekens ken jij al?

Gebruik de antwoorden als start: laat leerlingen tekens en woorden noemen, zoals plus, min, groter dan of gelijk.

Dit ga ik leren

Ik kan de tekens +, −, × en ÷ begrijpen en gebruiken bij eenvoudige sommen. Ik kan ook de tekens >, <, =, ≥ en ≤ begrijpen en correct gebruiken bij het vergelijken van getallen en eenvoudige sommen.

This item has no instructions

Verschil tussen de bewerkingen

  • Optellen: erbij

  • Aftrekken: eraf

  • Vermenigvuldigen: groepjes samen

  • Delen: verdelen in gelijke delen

This item has no instructions

Sommen lezen en schrijven

Een som heeft getallen en een teken.


Voorbeelden:

  • 2 + 5 =

  • 9 − 4 =

  • 3 × 3 =

  • 8 ÷ 2 =


Je leest de som met het juiste woord bij het teken.

This item has no instructions

Welk teken hoort bij vermenigvuldigen?

A

−

B

×

C

÷

D

+

Controleert of leerlingen de vier bewerkingstekens uit elkaar houden.

Vul de goede woorden in

In een som staan getallen en een teken. Bij plus tel je erbij en bij min haal je eraf. Bij vermenigvuldigen maak je groepjes samen en bij delen verdeel je in gelijke delen.

plus
min
vermenigvuldigen
delen
groter dan
kleiner dan
gelijk
som

Alle vier de woorden zijn expliciet behandeld op de slides over bewerkingen en hun betekenis.

Wat betekent het gelijkteken?

Het teken = betekent: evenveel of gelijk.


Voorbeelden:

  • 3 + 2 = 5

  • 4 = 4

  • Aan beide kanten staat dan dezelfde waarde.

Veel leerlingen zien = alleen als 'hier komt het antwoord'. Leg uit dat links en rechts evenveel moeten zijn.

Gelijkwaardige sommen

Sommen zijn gelijkwaardig als ze dezelfde uitkomst hebben.


Voorbeelden:

  • 2 + 3 = 5

  • 4 + 1 = 5

  • Dus: 2 + 3 = 4 + 1

Gebruik dit als brug tussen rekenen en vergelijken: je vergelijkt nu niet alleen getallen, maar ook sommen.

Groter, kleiner en gelijk

  • > betekent groter dan

  • < betekent kleiner dan

  • = betekent gelijk

  • Je gebruikt deze tekens om getallen te vergelijken

Gebruik kleine getallen als mondeling voorbeeld: 5 en 3, 2 en 8, 4 en 4.

Voorbeelden met getallen

  • 7 > 4

  • 2 < 5

  • 6 = 6

  • Kijk welk getal meer, minder of evenveel is

This item has no instructions

Groter of gelijk, kleiner of gelijk

  • ≥ betekent groter dan of gelijk aan

  • ≤ betekent kleiner dan of gelijk aan

  • Voorbeeld: 6 ≥ 6

  • Voorbeeld: 3 ≤ 5

  • Hier mag het ook gelijk zijn

Benadruk dat deze tekens twee betekenissen samen hebben: groter/kleiner én gelijk.

Het juiste teken kiezen

  • Vergelijk eerst de getallen of sommen

  • Kies daarna >, <, =, ≥ of ≤

  • Het teken moet passen bij de waarde

Noem mondeling voorbeelden als 8 _ 6, 4 4 en 2 + 3 _ 6.

Vergelijken van sommen

  • Reken de sommen eerst uit

  • Vergelijk daarna de uitkomsten

  • Voorbeeld: 2 + 2 = 4 en 5 − 1 = 4

  • Dus: 2 + 2 = 5 − 1

This item has no instructions

Welk teken past? 2 + 3 __ 5

A

<

B

≥

C

=

D

>

Toetst het inzicht dat het gelijkteken betekent: links en rechts hebben dezelfde waarde.

Vul de tekens in

Je vergelijkt getallen en sommen met tekens. Bij 7 > 4 is het eerste getal groter. Bij 6 = 6 zijn beide kanten evenveel. En 3 ≤ 5 kan ook, want het mag kleiner of gelijk zijn.

>
=
≤
<
≥
÷
+

De drie blanks dwingen verschillende vergelijkingssymbolen af: groter dan, gelijk, kleiner dan of gelijk aan.

Hoe vergelijk je twee sommen?

Bespreek dat leerlingen eerst beide sommen uitrekenen en daarna de uitkomsten vergelijken. Verwachte elementen: uitrekenen, dezelfde waarde of groter/kleiner bepalen.

Woorden en tekens horen samen

  • plus hoort bij +

  • min hoort bij −

  • vermenigvuldigen hoort bij ×

  • delen hoort bij ÷

  • groter dan hoort bij >

  • kleiner dan hoort bij <

This item has no instructions

Meer woorden bij vergelijken

  • gelijk hoort bij =

  • gelijkwaardig betekent: dezelfde waarde

  • groter dan of gelijk aan hoort bij ≥

  • kleiner dan of gelijk aan hoort bij ≤

Maak het verschil duidelijk tussen 'gelijk' en 'gelijkwaardig': gelijk kan tussen getallen en uitkomsten; gelijkwaardig gaat vaak over twee sommen met dezelfde waarde.

Wat betekent gelijkwaardig?

A

zelfde waarde

B

zelfde teken

C

groter getal

D

kleiner getal

Sluit aan bij het verschil tussen gelijk en gelijkwaardig op de laatste inhoudsslides.

Koppel woord en teken

Woorden en tekens horen samen. groter dan hoort bij > en kleiner dan hoort bij <. Het woord gelijk hoort bij = en gelijkwaardig betekent: dezelfde waarde.

groter dan
kleiner dan
gelijk
gelijkwaardig
plus
min
delen
som

Herhaalt de kernwoorden van de afsluitende slides zonder nieuwe taal toe te voegen.

Invuloefening

De rode bal is groter dan de blauwe bal, maar de groene bal is kleiner dan beide. Als je de rode en de groene bal naast elkaar legt, zie je dat ze niet even groot zijn. De rode bal is groter dan de groene, terwijl de blauwe bal kleiner dan de rode is. Bij het meten bleek dat de rode bal groter of gelijk aan 20 cm is en de groene gelijk aan 10 cm is.

groter
kleiner
even groot
groter dan
kleiner dan
meten
groter of gelijk aan
gelijk aan

This item has no instructions

Wat heb jij vandaag geleerd?

Laat leerlingen één concreet leerpunt noemen, bijvoorbeeld een teken of een woord dat ze nu beter begrijpen.

Wat vond jij moeilijk?

Gebruik dit als korte zelfevaluatie. Mogelijke antwoorden: = bij sommen, verschil tussen > en ≥, woorden bij tekens.

Woordenlijst

plus - woord bij het teken +

min - woord bij het teken −

vermenigvuldigen - rekenen met het teken ×

delen - rekenen met het teken ÷

groter dan - meer dan, met het teken >

kleiner dan - minder dan, met het teken <

gelijk - evenveel, met het teken =

This item has no instructions

Woordenlijst

gelijkwaardig - met dezelfde waarde

groter dan of gelijk aan - met het teken ≥

kleiner dan of gelijk aan - met het teken ≤

som - een rekenschrijving met getallen en tekens

vergelijken - kijken wat groter, kleiner of gelijk is

This item has no instructions