This item has no instructions
Niet door les heen praten
This item has no instructions
Wat gaan we doen vandaag?
Herhaling rekenwoorden
Leren nieuwe tekens
Werken in het werkboek
Afsluiten
This item has no instructions
Rekentekens en vergelijken
This item has no instructions
Welke rekentekens ken jij al?
Gebruik de antwoorden als start: laat leerlingen tekens en woorden noemen, zoals plus, min, groter dan of gelijk.
Dit ga ik leren
Ik kan de tekens +, −, × en ÷ begrijpen en gebruiken bij eenvoudige sommen. Ik kan ook de tekens >, <, =, ≥ en ≤ begrijpen en correct gebruiken bij het vergelijken van getallen en eenvoudige sommen.
This item has no instructions
Verschil tussen de bewerkingen
Optellen: erbij
Aftrekken: eraf
Vermenigvuldigen: groepjes samen
Delen: verdelen in gelijke delen
This item has no instructions
Sommen lezen en schrijven
Een som heeft getallen en een teken.
Voorbeelden:
2 + 5 =
9 − 4 =
3 × 3 =
8 ÷ 2 =
Je leest de som met het juiste woord bij het teken.
This item has no instructions
Welk teken hoort bij vermenigvuldigen?
−
×
÷
+
Controleert of leerlingen de vier bewerkingstekens uit elkaar houden.
Vul de goede woorden in
In een som staan getallen en een teken. Bij plus tel je erbij en bij min haal je eraf. Bij vermenigvuldigen maak je groepjes samen en bij delen verdeel je in gelijke delen.
Alle vier de woorden zijn expliciet behandeld op de slides over bewerkingen en hun betekenis.
Wat betekent het gelijkteken?
Het teken = betekent: evenveel of gelijk.
Voorbeelden:
3 + 2 = 5
4 = 4
Aan beide kanten staat dan dezelfde waarde.
Veel leerlingen zien = alleen als 'hier komt het antwoord'. Leg uit dat links en rechts evenveel moeten zijn.
Gelijkwaardige sommen
Sommen zijn gelijkwaardig als ze dezelfde uitkomst hebben.
Voorbeelden:
2 + 3 = 5
4 + 1 = 5
Dus: 2 + 3 = 4 + 1
Gebruik dit als brug tussen rekenen en vergelijken: je vergelijkt nu niet alleen getallen, maar ook sommen.
Groter, kleiner en gelijk
> betekent groter dan
< betekent kleiner dan
= betekent gelijk
Je gebruikt deze tekens om getallen te vergelijken
Gebruik kleine getallen als mondeling voorbeeld: 5 en 3, 2 en 8, 4 en 4.
Voorbeelden met getallen
7 > 4
2 < 5
6 = 6
Kijk welk getal meer, minder of evenveel is
This item has no instructions
Groter of gelijk, kleiner of gelijk
≥ betekent groter dan of gelijk aan
≤ betekent kleiner dan of gelijk aan
Voorbeeld: 6 ≥ 6
Voorbeeld: 3 ≤ 5
Hier mag het ook gelijk zijn
Benadruk dat deze tekens twee betekenissen samen hebben: groter/kleiner én gelijk.
Het juiste teken kiezen
Vergelijk eerst de getallen of sommen
Kies daarna >, <, =, ≥ of ≤
Het teken moet passen bij de waarde
Noem mondeling voorbeelden als 8 _ 6, 4 4 en 2 + 3 _ 6.
Vergelijken van sommen
Reken de sommen eerst uit
Vergelijk daarna de uitkomsten
Voorbeeld: 2 + 2 = 4 en 5 − 1 = 4
Dus: 2 + 2 = 5 − 1
This item has no instructions
Welk teken past? 2 + 3 __ 5
<
≥
=
>
Toetst het inzicht dat het gelijkteken betekent: links en rechts hebben dezelfde waarde.
Vul de tekens in
Je vergelijkt getallen en sommen met tekens. Bij 7 > 4 is het eerste getal groter. Bij 6 = 6 zijn beide kanten evenveel. En 3 ≤ 5 kan ook, want het mag kleiner of gelijk zijn.
De drie blanks dwingen verschillende vergelijkingssymbolen af: groter dan, gelijk, kleiner dan of gelijk aan.
Hoe vergelijk je twee sommen?
Bespreek dat leerlingen eerst beide sommen uitrekenen en daarna de uitkomsten vergelijken. Verwachte elementen: uitrekenen, dezelfde waarde of groter/kleiner bepalen.
Woorden en tekens horen samen
plus hoort bij +
min hoort bij −
vermenigvuldigen hoort bij ×
delen hoort bij ÷
groter dan hoort bij >
kleiner dan hoort bij <
This item has no instructions
Meer woorden bij vergelijken
gelijk hoort bij =
gelijkwaardig betekent: dezelfde waarde
groter dan of gelijk aan hoort bij ≥
kleiner dan of gelijk aan hoort bij ≤
Maak het verschil duidelijk tussen 'gelijk' en 'gelijkwaardig': gelijk kan tussen getallen en uitkomsten; gelijkwaardig gaat vaak over twee sommen met dezelfde waarde.
Wat betekent gelijkwaardig?
zelfde waarde
zelfde teken
groter getal
kleiner getal
Sluit aan bij het verschil tussen gelijk en gelijkwaardig op de laatste inhoudsslides.
Koppel woord en teken
Woorden en tekens horen samen. groter dan hoort bij > en kleiner dan hoort bij <. Het woord gelijk hoort bij = en gelijkwaardig betekent: dezelfde waarde.
Herhaalt de kernwoorden van de afsluitende slides zonder nieuwe taal toe te voegen.
Invuloefening
De rode bal is groter dan de blauwe bal, maar de groene bal is kleiner dan beide. Als je de rode en de groene bal naast elkaar legt, zie je dat ze niet even groot zijn. De rode bal is groter dan de groene, terwijl de blauwe bal kleiner dan de rode is. Bij het meten bleek dat de rode bal groter of gelijk aan 20 cm is en de groene gelijk aan 10 cm is.
This item has no instructions
Wat heb jij vandaag geleerd?
Laat leerlingen één concreet leerpunt noemen, bijvoorbeeld een teken of een woord dat ze nu beter begrijpen.
Wat vond jij moeilijk?
Gebruik dit als korte zelfevaluatie. Mogelijke antwoorden: = bij sommen, verschil tussen > en ≥, woorden bij tekens.
Woordenlijst
plus - woord bij het teken +
min - woord bij het teken −
vermenigvuldigen - rekenen met het teken ×
delen - rekenen met het teken ÷
groter dan - meer dan, met het teken >
kleiner dan - minder dan, met het teken <
gelijk - evenveel, met het teken =
This item has no instructions
Woordenlijst
gelijkwaardig - met dezelfde waarde
groter dan of gelijk aan - met het teken ≥
kleiner dan of gelijk aan - met het teken ≤
som - een rekenschrijving met getallen en tekens
vergelijken - kijken wat groter, kleiner of gelijk is
This item has no instructions