Kengetallen en ratio's (Bedrijfseconomie havo), les 3: Terugblik quiz

Een bakkerij in een winkelstraat, 2020

EXAMENSTOF · JAARREKENING · RATIO'S

Quiz

Terugblik: Kengetallen en ratio's

1 / 13
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Terugblikquiz van 10 vragen over liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit: rekenen, beoordelen, procent en procentpunt. Alle vragen zijn nieuw ten opzichte van uitleg en training.

Items in this lesson

Een bakkerij in een winkelstraat, 2020

EXAMENSTOF · JAARREKENING · RATIO'S

Quiz

Terugblik: Kengetallen en ratio's

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: G.Lanting / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

De current ratio van een bv is 0,8. Wat betekent dat?

A

Het eigen vermogen is kleiner dan het vreemd vermogen

B

De voorraad is groter dan de liquide middelen

C

Het bedrijf heeft een negatief eigen vermogen

D

De vlottende activa zijn kleiner dan het kort vreemd vermogen

Syllabus 26.3. Current ratio onder 1: vlottende activa / kort vreemd vermogen is kleiner dan 1, dus de vlottende activa zijn kleiner. Uit de ratio volgt niets over het eigen vermogen of de verhouding tussen voorraad en liquide middelen.

Vul in

Bij de quick ratio tel je de voorraden niet mee, omdat die niet snel in geld zijn om te zetten.

voorraden
geld
debiteuren
kosten

Syllabus 26.3. Verwachte fout: debiteuren noemen. Die tellen bij de quick ratio wel mee.

Een bank wil weten of een bv haar schulden op lange termijn kan dragen. Welke ratio?

A

Een solvabiliteitsratio

B

Een liquiditeitsratio

C

Een rentabiliteitsratio

D

Een current ratio

Syllabus 26.3. Lange termijn gaat over de verhouding eigen en vreemd vermogen: solvabiliteit. Liquiditeit (en de current ratio) gaat over betalen op korte termijn, rentabiliteit over het rendement.

Interestkosten € 4.500, gemiddeld vreemd vermogen € 90.000. Hoe hoog is de IVV?

A

20,0%

B

4,5%

C

5,0%

D

0,5%

Syllabus 26.3. Uitwerking: 4.500 / 90.000 x 100% = 5,0%. Afleiders: 20,0% is de breuk omgedraaid (90.000 / 4.500), 4,5% is het getal van de interestkosten als procent, 0,5% komt van het vergeten van x 100%.

Waarom neem je bij de REV gemiddeld vermogen?

Syllabus 26.3. Het resultaat is over het hele jaar behaald, terwijl het eigen vermogen in dat jaar veranderde. Het gemiddelde van begin en eind past daar beter bij. Verwachte fout: 'omdat het makkelijker is'.

Zet de stappen van de RTV op volgorde

1

Deel de som door het gemiddeld totaal vermogen

2

Tel het resultaat en de interestkosten op

3

Vergelijk de uitkomst met het vorige jaar

4

Vermenigvuldig de uitkomst met 100%

Syllabus 26.3 en 26.4. RTV = (resultaat + interestkosten) / gemiddeld totaal vermogen x 100%, daarna beoordeel je de ontwikkeling.

Current ratio 2,0 naar 1,2, quick ratio 1,0 naar 0,4. Wat is juist?

A

Het bedrijf is in verhouding solvabeler geworden

B

Het bedrijf heeft meer resultaat gemaakt dan vorig jaar

C

Het bedrijf kan zijn korte schulden minder goed betalen

D

Het bedrijf heeft in verhouding meer eigen vermogen

Syllabus 26.4. Beide liquiditeitsratio's dalen: de liquiditeit is verslechterd. Over solvabiliteit en resultaat zeggen deze ratio's niets.

De RTV steeg van 6% naar 9%. Met hoeveel procent steeg de RTV?

A

50%

B

3%

C

150%

D

33%

Syllabus 26.4 en A5.3. Uitwerking: 9 / 6 = 1,5, dus een stijging van 50 procent (3 / 6). De stijging is 3 procentpunt. Afleiders: 3% is het procentpunt, 150% de nieuwe waarde als percentage van de oude, 33% (3 / 9) neemt de verkeerde basis.

Vier bedrijven hebben deze VV/TV. Welk bedrijf is het minst solvabel?

A

Bedrijf A: VV/TV is 30%

B

Bedrijf B: VV/TV is 55%

C

Bedrijf D: VV/TV is 45%

D

Bedrijf C: VV/TV is 75%

Syllabus 26.3 en 26.4. Hoe hoger VV/TV, hoe meer schuld in verhouding tot het totaal vermogen en dus hoe zwakker de solvabiliteit. Verwachte fout: het laagste percentage kiezen.

Het resultaat blijft gelijk, het gemiddeld eigen vermogen daalt. Wat doet de REV?

A

De REV daalt

B

De REV stijgt

C

De REV blijft gelijk

D

De REV wordt negatief

Syllabus 26.3. REV = resultaat / gemiddeld eigen vermogen x 100%. De noemer wordt kleiner, dus de uitkomst groter. Verwachte fout: 'de REV daalt, want het eigen vermogen daalt'.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · JAARREKENING · RATIO'S

Goed gedaan!

Je kunt nu liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit berekenen en beoordelen. Oefen de zes formules tot je ze zonder spiekbriefje kunt opschrijven.

This item has no instructions