Vul de woordjes tussen de haakjes in de volgende zinnen.
(aanbreken, sahôer, imsâk, tussen, opstaan, momenten)
Zij die gaan vasten, staan op tijd voor de sahôer om de maaltijd te nemen.
De sahôermaaltijd die men neemt voor het vasten, duurt tot de imsâk.
De tijd van sahôer ligt tussen de tweede helft van de nacht en de imsâk.
Imsâk is de tijd van het aanbreken van de dageraad of de zonsopgang.
Men kan ook vasten opstaan, zonder te moeten voor de sahôer. → hier lijkt het juiste woord eerder momenten te zijn: “Men kan ook op momenten vasten, zonder te moeten voor de sahôer.”
Eén van de momenten waarop de smeekbeden worden verhoord, is die van de sahôer.