eindtoets bewegen GERF ZANP

1 / 36
next
Slide 1: Slide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

  • Je mag je aantekeningen en rekenmachine bij deze toets gebruiken.
  • De toets bestaat uit 32 meerkeuzevragen en 5 open vragen/opdrachten
  • Je hebt voor deze toets 60 minuten de tijd, daarna wordt de toets afgesloten.
  • Bij de meeste vragen kun je de afbeelding vergroten.

Open vragen/opdrachten: 
  • Rond je antwoord af op 1 decimaal tenzij anders staat aangegeven bij de opdracht, dan rond je af op het aantal decimalen dat staat aangegeven.
  • Vul alleen het getal in zonder de eenheid.
  • Gebruik in je antwoord een komma, geen punt.
Belangrijk

Slide 2 - Slide

Wat kan je zeggen van de snelheid bij
een eenparige beweging?
Bekijk de grafiek. 
Welke uitspraak/uitspraken is/zijn juist?

1.) Bij een snelheid van 90km/h is de remweg 50 meter.
2.) Wanneer de snelheid verdubbelt dan verdubbelt ook je remweg.
A
Alleen uitspraak 1 is juist
B
Alleen uitspraak 2 is juist
C
Beide uitspraken zijn juist
D
Geen van beide uitspraken zijn juist

Slide 3 - Quiz

Wat kan je zeggen van de snelheid bij
een eenparige beweging?
Wat kun je zeggen van de snelheid bij een eenparige beweging?
A
de snelheid neemt af
B
de snelheid blijft gelijk
C
de snelheid neemt toe
D
de snelheid verdubbeld

Slide 4 - Quiz

Albert fietst 500 meter in 1 minuut en 20 seconden.
Wat is zijn gemiddelde snelheid in km/h?
Albert fietst 500 meter in 1 minuut en 20 seconden.  Wat is zijn gemiddelde snelheid in km/h?
A
6,25
B
22,5
C
0,576
D
416,7

Slide 5 - Quiz

Wat kan je zeggen van de afstand bij
een eenparige beweging?
Wat kun je zeggen over de toename van de afstand bij een eenparige beweging?
A
de afstand die iedere seconde wordt afgelegd wordt steeds groter
B
de afstand die iedere seconde wordt afgelegd wordt steeds kleiner
C
de afstand die iedere seconde wordt afgelegd blijft gelijk

Slide 6 - Quiz

Wat kan je zeggen van de afstand bij
een eenparige beweging?
Wat kun je zeggen over de toename van de afstand bij een vertraagde beweging?
A
de afstand neemt toe met steeds kleinere waarden
B
de afstand neemt af met steeds dezelfde waarden
C
de afstand blijft gelijk

Slide 7 - Quiz

Op zijn driewieler heeft Albert
een gemiddelde snelheid van 40 km/h.
In hoeveel seconden legt hij een afstand af van 300 meter?
Op zijn driewieler heeft Albert een gemiddelde snelheid van 40 km/h.  In hoeveel seconden legt hij een afstand af van 300 meter?
A
27
B
7,5
C
300
D
12

Slide 8 - Quiz

Albert doet met zijn vliegtuig over de afstand
Amsterdam - Bangkok (8500 km) 11 uur.
Bereken de gemiddelde snelheid in m/s.
Albert doet met zijn vliegtuig over de afstand Amsterdam - Bangkok (8500 km) 11 uur.  Bereken de gemiddelde snelheid in m/s.
A
772,7
B
93,5
C
214,6
D
59,6

Slide 9 - Quiz

Luke doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur.

Bereken de gemiddelde snelheid in km/h voor de hele triatlon op 2 decimalen nauwkeurig.
Bij het serveren haalt de bal van toptennisser Albert een snelheid van 180 km/h. De tennisbal legt een afstand van 20 meter af voordat hij de grond raakt. Bereken de tijd totdat de bal de grond raakt

Bereken op 1 decimaal nauwkeurig hoeveel seconden de bal over die 20 meter doet.
A
0,1
B
0,4
C
2,5
D
9

Slide 10 - Quiz

Luke doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur.

Bereken de gemiddelde snelheid in km/h voor de hele triatlon op 2 decimalen nauwkeurig.
Welke beweging maakt Albert in de afbeelding?
(hij rijdt achteruit)

A
Stilstand
B
Eenparige (constante) beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Eenparig versnelde beweging

Slide 11 - Quiz

Luke doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur.

Bereken de gemiddelde snelheid in km/h voor de hele triatlon op 2 decimalen nauwkeurig.
Welke beweging maakt Albert in de afbeelding?

A
Stilstand
B
Eenparige (constante) beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Eenparig versnelde beweging

Slide 12 - Quiz


Wat voor soort beweging is in deel B van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 13 - Quiz


Wat voor soort beweging is in deel A van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 14 - Quiz


Wat voor soort beweging is in deel B van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 15 - Quiz


Wat voor soort beweging is in deel C van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 16 - Quiz


Wat voor soort beweging is in deel A van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 17 - Quiz


Wat voor soort beweging is in deel B van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 18 - Quiz


Wat voor soort beweging is in deel C van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 19 - Quiz


Wat voor soort beweging is in deel D van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 20 - Quiz

De stroboscooplamp flitste om de 0,03 seconden. Hoe lang duurt de hele beweging van Albert?
De stroboscooplamp flitste om de 0,03 seconden. Hoe lang duurt de hele beweging van Albert?
A
0,09s
B
0,12s
C
0,15s
D
geen van deze antwoorden is juist

Slide 21 - Quiz

Omrekenen van km/h naar m/s doe je door .....
A
x 3,6
B
: 3,6
C
x 1000
D
: 1000

Slide 22 - Quiz


A
ΔV = 240 m/s
B
ΔV = 1,6 m/s
C
ΔV = 8 m/s
D
ΔV = -8 m/s

Slide 23 - Quiz


A
a = 32 m/s^2
B
a = 24 m/s^2
C
a = 16 m/s^2
D
a = 8m/s^2

Slide 24 - Quiz


A
Vb = 74 m/s
B
Vb = 300 m/s
C
Vb = 26 m/s
D
Vb = 24 m/s

Slide 25 - Quiz


A
Ve = 7,6 m/s
B
Ve = 19,6 m/s
C
Ve = 79 m/s
D
Ve = 91 m/s

Slide 26 - Quiz


- Rond je antwoord af op 1 decimaal tenzij anders staat aangegeven bij de opdracht, dan rond je af op het aantal decimalen dat staat aangegeven.

- Vul alleen het getal in zonder de eenheid.

- Gebruik in je antwoord een komma, geen punt.

- Maak iedere opdracht eerst op papier.

- Vul daarna je antwoorden in op de rode dia’s die na de opdracht komen.
Open vragen/opdrachten

Slide 27 - Slide

Opdracht 1
Albert rijdt met een snelheid van 4,7 m/s op zijn ligfiets,. Hij geniet lekker van de zon en de mooie natuur. Plots denkt verderop zijn tweelingbroer James te zien. Hij versnelt gedurende 3 seconden met een versnelling van 1,2 m/s2 in een poging zijn broer in te halen. Wat is de eindsnelheid van Albert in m/s? 

Rond je antwoord af op 1 decimaal. Gebruik een komma (GEEN punt). Noteer alleen het antwoord.
 

Slide 28 - Slide


Opdracht 1
Wat is de eind nelheid van Albert in m/s ? Rond je antwoord af op 1 decimaal. Gebruik een komma (GEEN punt). Noteer alleen het antwoord.

Slide 29 - Open question

Opdracht 2
Albert heeft zijn tweelingbroer James ingehaald. Ze fietsen samen met een snelheid van 6,2 m/s, maar al snel merkt Albert dat James hem niet bij kan houden. De heren gaan dus langzamer fietsen. Een snelheid van 5,4 m/s blijkt ideaal voor James. De heren hebben deze snelheid bereikt binnen 1,3 s. 
Bereken de vertraging in m/s2. 
Rond je antwoord af op 1 decimaal. Gebruik een komma (GEEN punt). Noteer alleen het antwoord. Gebruik in je antwoord het min(-) teken om aan te geven dat het om een vertraging gaat.

Slide 30 - Slide


Opdracht 2
Bereken de vertraging in m/s2. Rond je antwoord af op 1 decimaal. Gebruik een komma (GEEN punt). Noteer alleen het antwoord. Gebruik in je antwoord het min(-) teken om aan te geven dat het om een vertraging gaat

Slide 31 - Open question

Opdracht 3
Albert en James besluiten even een tussenstop te maken voor een toiletbezoek en wat te drinken. Ze gaan dus even naar een hotel. Ze komen met een snelheid van 3,8 m/s aangereden bij het hotel en komen al snel tot stilstand. De remvertraging van de fietsremmen bedraagt -2,7 m/s2. Hoe lang duurt het voordat de heren tot stilstand zijn gekomen? 

Rond je antwoord af op 1 decimaal. Gebruik een komma (GEEN punt). Noteer alleen het antwoord.

Slide 32 - Slide


Opdracht 3:
Hoe lang duurt het voordat de heren tot stilstand zijn gekomen? 
Rond je antwoord af op 1 decimaal. Gebruik een komma (GEEN punt). Noteer alleen het antwoord.

Slide 33 - Open question

Opdracht 4
Hiernaast staat een plaatje van een snelheid-tijd grafiek (v,t grafiek). Bereken van afgelegde afstand van deze beweging. .

 Rond je antwoord af op 1 decimaal. Noteer alleen het antwoord (GEEN eenheid). Gebruik een komma (GEEN punt)                                                                                                                                           

Slide 34 - Slide

Opdracht 5
Wat is de eindsnelheid in m/s van de baksteen? Rond je antwoord af op 1 decimaal. Noteer alleen het antwoord (GEEN eenheid). Gebruik een komma (GEEN punt)
Opdracht 4: 
Wat is de afgelegde afstand in m van de beweging? 
Rond je antwoord af op 1 decimaal. Noteer alleen het antwoord (GEEN eenheid). Gebruik een komma (GEEN punt)  

Slide 35 - Open question

Einde
Toets

Slide 36 - Slide