2h-Kap4-C-bzittelijke voornaamwoorden

1 / 20
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Hausaufgabe war:
Wörterliste A+ B lernen


Slide 4 - Slide

Lernziele:
 Grammatik: 
-Ich kenne die Possessivpronomen (=bezittelijke voornaamwoorden) und kann sie benutzen 
= Aufgabe 7, 8, 9

Sprechen: wir üben die Aussprache von sp und st = Aufgabe 12

Slide 5 - Slide

Antworten Aufgabe 6:
A Sportarten: Fußball, Hockey, Turnen, Handball, Basketball, Leichtathletik
    Sportstätten: Sporthalle, Fußballplatz, Basketballfeld

B Sportarten: Tennis, joggen, reiten, Schlittschuh laufen, tanzen
    Sportstätten: Schwimmbad, Tennisplatz, Sportplatz



Slide 6 - Slide

1: Michael und ich = wir
timer
3:00

Slide 7 - Slide

Antworten Aufgabe 7:
1 Wir
2 Er
3 Es
4 sie

5 Sie
6 Er
7 Sie
8 Sie


Slide 8 - Slide

NEU: Grammatik C, Seite 117

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Aufgabe 8, Seite 119. 
Is het zelfstandig naamwoord erachter vrouwelijk (v.) of meervoud (mv)? Dan -e achter het bezittelijk voornaamwoord! Anders blijft het zonder -e! 
timer
4:00

Slide 11 - Slide

Macht jetzt Aufgabe 9, Seite 119
Stap 1: vertaal het bezittelijk voornaamwoord. (zie 1.: mijn = mein-)
Stap 2: Is het zelfstandig naamwoord erachter vrouwelijk (v.) of meervoud (mv)? Dan -e achter het bezittelijk voornaamwoord! Anders blijft het zonder -e! (zie 1. Stift = mannelijk, dus mein)
Macht jetzt Aufgabe 9, Seite 119
Stap 1: vertaal het bezittelijk voornaamwoord. (zie 1.: mijn = mein-)
Stap 2: Is het zelfstandig naamwoord erachter vrouwelijk (v.) of meervoud (mv)? Dan -e achter het bezittelijk voornaamwoord! Anders blijft het zonder -e! (zie 1. Stift = mannelijk, dus mein)
timer
3:00

Slide 12 - Slide

Aufgabe 9: Grammatik
1 mein
2 ihre
3 dein
4 ihre
5 unsere
6 euer 
7 sein

Slide 13 - Slide

Das sind (onze) Eltern (mv).
A
meine
B
dein
C
ihr
D
unsere

Slide 14 - Quiz

Was ist (jouw) Name (m)?
A
sein
B
mein
C
dein
D
Ihr

Slide 15 - Quiz

Das ist (mijn) Fahrrad (o).
A
meine
B
deine
C
mein
D
sein

Slide 16 - Quiz

Heb je de lesdoelen behaald?

-Ik kan de bezittelijke voornaamwoorden gebruiken
😒🙁😐🙂😃

Slide 17 - Poll

Buch, Seite 120
Sprechen: 
wir üben die Aussprache von sp und st 
= Aufgabe 12

Slide 18 - Slide

Hausaufgabe:
Lernen: Grammatik C (Seite 144) 
+ Wörterliste B (Seite 140)

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide