Logistiek en kwaliteit hoofdstuk 1

Logistiek en kwaliteit hoofdstuk 1

Learning objective

1 / 18
next
Slide 1: Slide
New lesson editorPraktische economieMBOStudiejaar 1,2

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Items in this lesson

Logistiek en kwaliteit hoofdstuk 1

Learning objective

Een webshop heeft 1.000 bestellingen ontvangen. Bij 950 bestellingen kon het volledige order direct worden geleverd. Wat is de servicegraad?

A

5%

B

50%

C

105%

D

95%

Wat betekent een hoge servicegraad in de logistiek?

Waarvoor wordt een TMS vooral gebruikt?

A

Voor het beheren van personeel

B

Voor het bestellen van kantoorartikelen

C

Voor het plannen en organiseren van transport

D

Voor het maken van productontwerpen

Noem twee zaken die je met een TMS kunt regelen.

Waarvoor wordt een WMS voornamelijk gebruikt?

A

Het beheren van een magazijn

B

Het berekenen van salarissen

C

Het plannen van vakanties

D

Het plannen van vrachtwagens

Wat kan een WMS bijvoorbeeld bijhouden?

Wat is het belangrijkste doel van een ERP-systeem?

A

Alleen vrachtwagens volgen

B

Verschillende bedrijfsprocessen en informatie met elkaar verbinden

C

Alleen magazijnlocaties beheren

D

Alleen facturen printen

Waar staat ERP voor?

Wat is het belangrijkste doel van inkoop in de logistiek?

A

Zorgen dat de juiste goederen op het juiste moment beschikbaar zijn

B

Zorgen dat werknemers pauze krijgen

C

Zorgen dat vrachtwagens schoon zijn

D

Zorgen dat klanten een goede prijs betalen

Noem drie belangrijke zaken bij het inkopen van goederen?

Wat wordt bedoeld met een logistieke keten?


Een fabriek kan niet produceren omdat de leverancier geen grondstoffen heeft geleverd.

Welke invloed heeft één schakel hier op de rest van de keten?

Welke hoort NIET direct bij de logistieke deelgebieden?

A

Inkooplogistiek

B

Distributielogistiek

C

Productielogistiek

D

Verkooplogistiek

Welke drie belangrijke stromen onderscheiden we in de logistiek?

A

Geld, personeel en gebouwen

B

Producten, vrachtwagens en magazijnen

C

Goederen, informatie en geld

D

Goederen, personeel en machines

Geef een voorbeeld van een goederenstroom?

Geef een voorbeeld van een informatiestroom.

Geef een voorbeeld van een geldstroom