Periode 2 grammatica 2 les 4

Periode 2 grammatica les 3


Waar komt dit water vandaan?   3.1 soorten water
1 / 21
next
Slide 1: Slide
NaskMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Periode 2 grammatica les 3


Waar komt dit water vandaan?   3.1 soorten water

Slide 1 - Slide

Wat gaan we deze les doen?
Herhalen zelfstandig werkwoord, hulpwerkwoord, 
zelfstandig naamwoord en bijvoeglijk naamwoord, persoonsvorm en werkwoordelijk gezegde

Leerdoelen van deze les;

Introductie, instructie en controle vragen over de les;
Aan de slag!


Slide 2 - Slide

Wat is het zelfstandig naamwoord in de volgende zin en wat het bijvoeglijk naamwoord?
De grote boze wolf heeft de griezelige oude vrouw maar niet opgegeten.

Slide 3 - Open question

Quiz
Wat is het zelfstandig- en hulp werkwoord in de volgende zin?
Mijn broer heeft gisteren heerlijk gevoetbald.
A
hulp werkwoord= broer zelfstandig werkwoord= gevoetbald
B
hulpwerkwoord= heeft zelfstandig werkwoord= gevoetbald
C
hulp werkwoord= gevoetbald zelfstandig werkwoord= heeft

Slide 4 - Quiz

Quiz
Wat zijn de persoonsvorm en gezegde in de volgende zin?
Ze heeft veel vragen kunnen stellen.
A
pv= heeft gez.= heeft
B
pv= heeft gez. = kunnen stellen
C
pv= kunnen gez. = stellen
D
pv= heeft gez. = heeft kunnen stellen

Slide 5 - Quiz

leerdoelen:
Deze les leer je:
wat het onderwerp van zinnen is.
hoe het onderwerp en de persoonsvorm met elkaar te maken hebben.
dat je onderwerpen van zinnen overal tegenkomt: in (school)boeken, in films en in kranten.
de overeenkomsten tussen een zin en een film ontdekken
ontdekken dat een werkwoord ‘rollen uitdeelt’, bijvoorbeeld aan het onderwerp en het lijdend voorwerp
ontdekken wat het lijdend voorwerp voor zinsdeel is
leren hoe je het lijdend voorwerp in een zin kunt herkennen en benoemen.


Slide 6 - Slide

Introductie onderwerp
Het onderwerp is de hoofdpersoon van de zin.
 Het onderwerp doet, ervaart, beleeft wat er in de zin gebeurt.

Het onderwerp is soms een persoon of meerdere personen (en soms een persoonlijk voornaamwoord zoals hij-zij-jij-ik).

Het onderwerp kan ook een ding zijn, of zelfs iets wat je helemaal niet kunt zien:
Angst is een slechte raadgever.

Vraag: Wie of wat + persoonsvorm = onderwerp

Slide 7 - Slide

Introductie onderwerp
Het onderwerp van de zin kun je omschrijven als: ‘degene die of datgene wat iets doet óf degene die of datgene wat iets is’. Het onderwerp heeft dus een nauwe band met het werkwoord (vooral de persoonsvorm) in de zin.
Het onderwerp kan heel kort (hij) zijn, maar ook veel langer:
De jonge vader met de bakfiets rijdt naar de pont.

Het onderwerp staat soms op de eerste plaats van de zin, maar niet altijd:
Gisteren fietste de jonge vader naar de pont.

Het onderwerp en persoonsvorm (wg) horen bij elkaar:
De leukste leraren fietsten naar de pont.

Slide 8 - Slide

Quiz
Wat is het onderwerp in de volgende zin?
De Olympische Spelen van 2028 zullen in Los Angeles worden gehouden.
A
De Olympische spelen
B
De Olympysche spelen van 2028
C
zullen, worden gehouden
D
Los Angeles

Slide 9 - Quiz

Lijdend voorwerp
Het lijdend voorwerp:
Het lijdend voorwerp hangt samen met het onderwerp en het gezegde in de zin.
Niet in elke zin hoeft een lijdend voorwerp te zitten.

Je kunt het lijdend voorwerp vinden door de vraag 'Wie / Wat + onderwerp + gezegde?' te stellen.

Vb: De drugsrunners verhandelen de drugs.

Slide 10 - Slide

Lijdend voorwerp
Voorbeeld

De slager slacht een varken.
Hij schopte de bal weg.
Zij hielp de leerlingen met hun huiswerk.
Ik heb een heel mooi boek ontdekt.
Als je het lastig vindt om het lijdend voorwerp te herkennen, kun je deze vraag stellen:
‘Wie of wat + onderwerp + gezegde?’


Slide 11 - Slide

Niet altijd een lijdend voorwerp
Niet in elke zin zit een lijdend voorwerp.
Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer je te maken hebt met een naamwoordelijk gezegde.
Kijk maar:
Joery en Denise zijn erg aardig.

Als we op zoek gaan naar het lijdend voorwerp, zien we dit:
De persoonsvorm is ‘was. Het werkwoordelijk deel van het gezegde is ‘zijn’
Het werkwoord ‘zijn’ is één van de negen koppelwerkwoorden. 
Dat betekent dat we in deze zin niet op zoek moeten naar een lijdend voorwerp, maar naar het naamwoordelijk deel van het gezegde. In deze zin zit dus geen lijdend voorwerp, ook al krijg je wel een antwoord op de vraag: ‘wie/wat zijn?’




Slide 12 - Slide

Werkwoorden die geen lijdend voorwerp kunnen hebben!
In een zin met een naamwoordelijk gezegde staat nooit een lijdend voorwerp. 
De 9 koppelwerkwoorden:
1.zijn      2.worden   3.blijven    4.blijken   5.lijken     6. schijnen  7. heten     8.dunken  9. voorkomen
Een koppelwerkwoord is een speciaal soort werkwoord. Je vindt hem niet in iedere zin. Alleen als een zin een naamwoordelijk gezegde heeft, staat er ook een koppelwerkwoord in.


In een zin met een naamwoordelijk gezegde wordt altijd meer informatie gegeven over het onderwerp van de zin; over degene die de hoofdrol speelt dus. Waar een werkwoordelijk gezegde aangeeft wat iemand doet, vertelt een naamwoordelijk gezegde wat iemand is of wordt. We laten het verschil zien met wat voorbeelden.

 

Slide 13 - Slide

Niet altijd een lijdend voorwerp
Charlie is een lieve hond.
Justin is ziek geweest.
Carlos wil loodgieter worden.

Zie je dat deze zinnen allemaal meer informatie geven over het onderwerp van de zin? Ze vertellen niet wat het onderwerp doet, maar wat ze zijn of (willen) worden. Dat betekent dat in deze zinnen een naamwoordelijk gezegde zit.

wel=> Fay maakt haar huiswerk.

Slide 14 - Slide

Quiz
De bakker heeft de broden alsnog kunnen verkopen. 
Wat is het lijdend voorwerp in de zin?
A
De bakker
B
heeft
C
de broden
D
kunnen verkopen

Slide 15 - Quiz

Quiz
Tijdens de ouderavond krijgen alle ouders koffie of thee.
Wat is het lijdend voorwerp in de zin?
A
de ouderavond
B
krijgen
C
alle ouders
D
koffie of thee

Slide 16 - Quiz

Quiz
Justin is ziek geweest.
Wat is het lijdend voorwerp in de zin?
A
Justin
B
is
C
ziek geweest
D
geen

Slide 17 - Quiz

Volgende les:
Spelling les 1
Wel of geen klinkerbotsing
1.1 Klinkerbotsing in een woord
1.2 Klinkerbotsing in een samenstelling
1.3 Bij meervoudsvorm op -en

Spelling les 2
Lange en korte klanken
2.1 Verkleinvormen
2.2 Meervoudsvormen op -s
2.3 Bezitsvorm op -s



Slide 18 - Slide

Aan het werk!
Wat? Grammatica 2- les 4 en 5 alle opdrachten, nu ook de peperopdrachten
Waar? Plot 26 Blink
Hoe? Als het bord op rood staat werk je alleen en in stilte.
Als het bord op groen staat mag je fluisterend overleggen met je buurman. 
Heb je vragen? Steek je hand op en ik kom bij je. 
Klaar? Kijk het dan na!

timer
1:00

Slide 19 - Slide


Schrijf drie dingen op die je deze les hebt geleerd.
Dit is een open vraag.

Slide 20 - Open question


Stel een vraag over iets wat je 
nog niet zo goed hebt begrepen.
Dit is een open vraag.

Slide 21 - Open question