Stroomkringen (Natuurkunde havo), les 3: Terugblik quiz

Weerstanden met kleurcode, 2018 (foto: Evan-Amos, publiek domein)

EXAMENSTOF · G1 · STROOMKRINGEN

Quiz

Terugblik: Stroomkringen

1 / 15
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Terugblikquiz met twaalf vragen over stroom, spanning, weerstand, serie, parallel, meters en veiligheid in een stroomkring. Geschikt als afsluiting of toetsvoorbereiding.

Items in this lesson

Weerstanden met kleurcode, 2018 (foto: Evan-Amos, publiek domein)

EXAMENSTOF · G1 · STROOMKRINGEN

Quiz

Terugblik: Stroomkringen

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Evan-Amos / Wikimedia Commons, publiek domein

In welke richting bewegen de elektronen in een stroomkring?

A

Van de pluspool naar de minpool

B

Van de minpool naar de pluspool

C

Alleen van de bron naar de lamp

D

Heen en weer, zonder vaste richting

Elektronen zijn negatief: de minpool stoot ze af, de pluspool trekt ze aan. De stroomrichting is afgesproken van plus naar min. Syllabus G1.1.

Vul in

In een serieschakeling is de stroom overal gelijk; in een parallelschakeling is de spanning over elke tak gelijk.

serieschakeling
parallelschakeling
kortsluiting
isolator

Serie: één weg, dus dezelfde I. Parallel: elke tak zit aan dezelfde twee punten, dus dezelfde U. Syllabus G1.2.

Zet van kleinste naar grootste Rtot

1

Drie keer 20 Ω parallel

2

Twee keer 20 Ω parallel

3

Eén weerstand van 20 Ω

4

Twee keer 20 Ω in serie

Rtot is de vervangingsweerstand. Drie parallel: 20/3 = 6,7 Ω. Twee parallel: 10 Ω. Eén: 20 Ω. Twee in serie: 40 Ω. Parallel zetten verkleint Rtot, serie vergroot Rtot. Syllabus G1.2.

Een stroom van 2,5 A loopt 4,0 s. Hoeveel lading gaat er door de draad?

A

0,63 C

B

1,6 C

C

10 A

D

10 C

Q = I·t = 2,5 × 4,0 = 10 C (twee significante cijfers). Afleiders: I/t (0,63), t/I (1,6) en de verkeerde eenheid A. Controle: 10/4,0 = 2,5 A. Syllabus G1.1.

Lamp en weerstand in serie op 9,0 V. Over de lamp staat 5,5 V. Spanning over de weerstand?

A

3,5 V

B

14,5 V

C

5,5 V

D

1,6 V

Utot = U1 + U2, dus U2 = 9,0 − 5,5 = 3,5 V (één decimaal). Afleiders: optellen (14,5), de spanning van de lamp overnemen (5,5) en delen (9,0/5,5 = 1,6). Syllabus G1.2.

Parallel: I1 = 0,40 A en I2 = 0,25 A. Wat meet de stroommeter in de toevoer?

A

0,15 A

B

0,40 A

C

0,65 A

D

0,10 A

Itot = I1 + I2 = 0,40 + 0,25 = 0,65 A (twee decimalen). Afleiders: aftrekken (0,15), alleen de grootste tak (0,40) en vermenigvuldigen (0,10). Syllabus G1.2.

Welk apparaat schakelt uit bij een aardlek?

Een aardlek is stroom die via een andere weg, bijvoorbeeld een mens, naar aarde lekt. Antwoord: de aardlekschakelaar. Verwachte fout: zekering; die reageert op een te grote stroom, niet op een lek naar aarde. Syllabus G1.2.

Hoe sluit je een spanningsmeter aan om de spanning over een lamp te meten?

A

In serie met de lamp

B

In serie met de bron

C

Parallel aan de lamp

D

Parallel aan de zekering

Een spanningsmeter meet het verschil tussen twee punten en staat dus parallel aan het onderdeel. Een stroommeter staat juist in serie. Syllabus G1.2.

Wat doet een diode in een schakeling?

A

Laat stroom in één richting door

B

Verandert R met het licht

C

Verandert R met de temperatuur

D

Smelt door bij een te grote stroom

Een diode geleidt maar in één richting. De afleiders zijn LDR, NTC/PTC en zekering. Syllabus G1.2.

Een LDR zit in een kring met constante spanning. Het wordt donker. Wat gebeurt er?

A

R wordt kleiner en I wordt groter

B

R wordt groter en I wordt groter

C

R blijft gelijk en I wordt kleiner

D

R wordt groter en I wordt kleiner

Minder licht geeft een grotere R; bij gelijke U geeft een grotere R een kleinere I (I = U/R). Syllabus G1.2.

10 Ω staat in serie met twee parallelle weerstanden van 20 Ω. Bereken Rtot.

A

50 Ω

B

20 Ω

C

30 Ω

D

5,0 Ω

De twee parallelle weerstanden: 1/Rv = 1/20 + 1/20 = 2/20, dus Rv = 10 Ω. Serie: Rtot = 10 + 10 = 20 Ω. Afleiders: alles optellen (50), maar één parallelle tak meetellen (30) en alles parallel (5,0). Syllabus G1.2: gemengde schakeling, eenvoudige berekening.

Twee lampen staan parallel aan een bron. Lamp 2 brandt door. Wat gebeurt er met lamp 1?

A

Lamp 1 blijft even fel branden

B

Lamp 1 gaat ook uit

C

Lamp 1 gaat feller branden

D

Lamp 1 gaat minder fel branden

Lamp 1 zit nog steeds aan dezelfde spanning, dus dezelfde I. Alleen Itot wordt kleiner. Afleiders: denken dat alles in serie staat, of dat de stroom zich opnieuw verdeelt. Syllabus G1.2.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · G1 · STROOMKRINGEN

Goed gedaan!

Sterk gedaan. Je weet nu hoe lading, spanning en weerstand samenhangen en hoe je serie- en parallelschakelingen doorrekent.

This item has no instructions