Present simple: negatief en vragen

Present simple: negatief en vragen

1 / 27
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEngelsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Present simple: negatief en vragen

Open bij bekende zinnen in de present simple. De les bouwt van gewone zinnen naar negatieve zinnen en daarna naar ja/nee-vragen.

Lesdoel

I can ask questions and make negative sentences.

This item has no instructions

Welke woorden ken jij al bij present simple?

Gebruik de antwoorden om kort voorkennis op te halen, zoals do, does, am, is, are, not, he, she, it en vragen.

Gewone present simple

De present simple gebruik je voor:

  • gewoontes

  • feiten

  • dingen die vaak gebeuren


Voorbeelden:

  • I play football.

  • She works at school.

  • They live in Utrecht.

Sluit kort aan bij voorkennis. Houd het echt kort en focus op herkenning.

De SHIT-regel kort herhaald

Bij he, she, it krijgt het werkwoord vaak -s.


Voorbeelden:

  • I work

  • You work

  • He works

  • She plays

  • It rains

Noem dat deze regel belangrijk is voor onderdeel 2 met does not en does.

Negatieve zinnen met am/is/are

Gebruik not na am, is, are.


Voorbeelden:

  • I am not tired.

  • He is not at home.

  • They are not ready.

Leg uit dat am/is/are vormen van 'to be' zijn. Bij 'to be' gebruik je geen do/does voor ontkenningen.

Wanneer gebruik je am, is en are?

Gebruik:

  • am bij I

  • is bij he, she, it

  • are bij you, we, they


Voorbeelden:

  • I am not late.

  • She is not my sister.

  • We are not in class.

This item has no instructions

Korte vormen met not

Vaak gebruik je de korte vorm:

  • is not = isn't

  • are not = aren't


Let op:

  • am not heeft meestal geen korte vorm zoals amn't.


Voorbeelden:

  • He isn't here.

  • We aren't busy.

  • I am not hungry.

Je kunt kort noemen dat 'I'm not' wel veel voorkomt, maar dat 'amn't' geen gewone vorm is.

Welke zin is goed negatief met to be?

A

She not tired

B

She doesn't tired

C

She isn't tired

D

She don't tired

Checkt of leerlingen weten dat je bij to be geen do/does gebruikt, maar not na am/is/are.

Vul de juiste vormen in

I am not late. He isn't at home. They aren't ready. We use are with we and they.

am not
isn't
aren't
are
is
doesn't
don't
am

Herhaalt am/is/are en de korte vormen uit dit blok. Elke blank heeft maar één passende plek.

Negatief met do not / does not

Bij gewone werkwoorden gebruik je:

  • do not (don't)

  • does not (doesn't)


Voorbeelden:

  • I do not like tea.

  • They don't play tennis.

  • She does not work here.

Maak het verschil duidelijk tussen 'to be' en gewone werkwoorden. Zeg expliciet: niet She not works, maar She does not work.

Wanneer gebruik je do en does?

Gebruik:

  • do bij I, you, we, they

  • does bij he, she, it


Voorbeelden:

  • We do not live here.

  • You don't know him.

  • It does not rain much.

Koppel terug aan de SHIT-regel: bij he/she/it zie je in vragen en ontkenningen vaak 'does'.

Let op bij does not

Na does not gebruik je het werkwoord zonder -s.


Goed:

  • He does not work here.

  • She doesn't play hockey.


Fout:

  • He does not works here.

Dit is een veelgemaakte fout. Leg uit: de -s zit al in 'does', dus niet meer in het hoofdwerkwoord.

Welke zin is goed?

A

He doesn't works here

B

He doesn't work here

C

He isn't work here

D

He don't work here

Laat de veelgemaakte fout zien: na does/doesn't komt het werkwoord zonder -s.

Kies do, does en de goede werkwoordsvorm

I don't like tea. She doesn't work here. After does not, the verb stays without -s. He does not play tennis today.

don't
doesn't
without -s
play
don'ts
works
with -s
isn't

Sluit aan op de uitleg over do/does en de basisvorm na does not.

Ja/nee-vragen met am/is/are

Bij to be zet je am, is, are vooraan.


Voorbeelden:

  • Are you a teacher?

  • Is he at home?

  • Are they ready?

Benadruk de woordvolgorde: werkwoord eerst, dan onderwerp.

Wanneer gebruik je am, is en are in vragen?

Gebruik in vragen:

  • Am bij I

  • Is bij he, she, it

  • Are bij you, we, they


Voorbeelden:

  • Am I late?

  • Is she your friend?

  • Are we in the right room?

Noem dat 'Am I ...?' correct is, ook al klinkt het voor leerlingen soms ongewoon.

Ja/nee-vragen met do en does

Bij gewone werkwoorden zet je do of does vooraan.


Voorbeelden:

  • Do you play football?

  • Do they live here?

  • Does she work on Monday?

Leg kort uit dat deze vragen vaak met yes/no beantwoord worden, daarom heten het ja/nee-vragen.

Wanneer gebruik je do en does in vragen?

Gebruik in vragen:

  • Do bij I, you, we, they

  • Does bij he, she, it


Voorbeelden:

  • Do we need a book?

  • Do you like music?

  • Does it work?

This item has no instructions

Let op bij does in vragen

Na does gebruik je het werkwoord zonder -s.


Goed:

  • Does he play tennis?

  • Does she live here?


Fout:

  • Does he plays tennis?

Verbind deze regel met slide 9: na does/doesn't blijft het hoofdwerkwoord in de basisvorm.

Overzicht

To be

  • negatief: am not / is not / are not

  • vraag: Am/Is/Are + onderwerp


Gewoon werkwoord

  • negatief: do not / does not + werkwoord

  • vraag: Do/Does + onderwerp + werkwoord

Gebruik dit als korte samenvatting voordat je afrondt.

Welke ja/nee-vraag is goed?

A

Does he plays tennis?

B

Is he play tennis?

C

Does he play tennis?

D

Do he play tennis?

Toetst de vraagvorm met does en de basisvorm van het hoofdwerkwoord.

Vul de vraagwoorden goed in

In yes/no questions with to be, are comes first: Are you ready? With normal verbs, do or does comes first: Does she work here?

are
Are
do
Does
is
am
plays
don't

Verankert het verschil tussen vragen met to be en vragen met gewone werkwoorden.

Wat is voor jou het verschil tussen to be en do/does?

Laat leerlingen in eigen woorden benoemen: to be gebruikt am/is/are + not of Am/Is/Are vooraan; gewone werkwoorden gebruiken do/does of do not/does not + basisvorm.

Wat heb jij vandaag geleerd?

Reflectie zonder fout antwoord. Mogelijke elementen: am/is/are, do/does, not, woordvolgorde in vragen, geen -s na does.

Wat hielp jou het meest in deze les?

Reflectie op leerproces. Mogelijke antwoorden: voorbeelden, overzicht, verschil tussen to be en gewone werkwoorden, korte vormen.

Welk deel vond jij nog lastig?

Reflectie op moeilijkheden. Let op of leerlingen vooral moeite hebben met does/doesn't + basisvorm of met am/is/are kiezen.