Werkwoordelijk gezegde

Paragraaf 2.7

Werkwoordelijk gezegde

1 / 16
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 6

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 20 min

Items in this lesson

Paragraaf 2.7

Werkwoordelijk gezegde

Aan het einde van de les weet ik:

  • Hoe het ook alweer zat met de persoonsvorm (pv)

  • Hoe je het werkwoordelijk gezegde vindt.

Terugblik: Hoe vind ik de pv in de zin?

A

De zin vragend maken

B

Het eerste woord in de zin

C

Alle werkwoorden in de zin

D

De zin in de andere tijd zetten

Wat is de pv?


Marijn leest veel boeken.


A

Marijn

B

leest

C

veel

D

boeken

Wat is de pv?


Silas gaat morgen mee.



A

mee

B

morgen

C

gaat

D

Silas

Ik kan de persoonsvorm vinden:

Het werkwoordelijk gezegde:


Het werkwoordelijk gezegde is een zinsdeel.


De persoonsvorm en de andere werkwoorden vormen samen het werkwoordelijk gezegde.


Voorbeeld:


Volgende week gaan Yasmin en Elif shoppen.

wg wg



Werkwoordenlijk gezegde:

Alle werkwoorden in de zin noem je samen:

A

de persoonsvorm

B

het onderwerp

C

het werkwoordelijk gezegde

D

het naamwoordelijk gezegde

Wat is het werkwoordelijk gezegde:


Joris heeft gisteren een taart gemaakt.

A

heeft

B

heeft gemaakt

C

gemaakt

D

een taart

Wat is het werkwoordelijk gezegde:


Morgen ga ik fietsen naar de tandarts

A

ga fietsen

B

morgen

C

ga

D

fietsen

Wat is het werkwoordelijk gezegde:


Mijn buurjongen maakt zijn huiswerk voor zijn gitaarles.

A

gitaarles

B

Mijn buurjongen

C

huiswerk

D

maakt

Wat is het werkwoordelijk gezegde:


Jip is vanmorgen te laat uit bed gekomen.



A

is gekomen

B

te laat

C

uit bed

D

Jip

Wat is het werkwoordelijk gezegde:


Zij heeft een mooie dag gehad in de dierentuin.



A

in de dierentuin

B

gehad

C

een mooie dag

D

heeft gehad

Ik kan het werkwoordelijk gezegde vinden in een zin: