Paragraaf 2.7
Werkwoordelijk gezegde
Paragraaf 2.7
Werkwoordelijk gezegde
Aan het einde van de les weet ik:
Hoe het ook alweer zat met de persoonsvorm (pv)
Hoe je het werkwoordelijk gezegde vindt.
Terugblik: Hoe vind ik de pv in de zin?
De zin vragend maken
Het eerste woord in de zin
Alle werkwoorden in de zin
De zin in de andere tijd zetten
Wat is de pv?
Marijn leest veel boeken.
Marijn
leest
veel
boeken
Wat is de pv?
Silas gaat morgen mee.
mee
morgen
gaat
Silas
Ik kan de persoonsvorm vinden:
Het werkwoordelijk gezegde:
Het werkwoordelijk gezegde is een zinsdeel.
De persoonsvorm en de andere werkwoorden vormen samen het werkwoordelijk gezegde.
Voorbeeld:
Volgende week gaan Yasmin en Elif shoppen.
wg wg
Werkwoordenlijk gezegde:
Alle werkwoorden in de zin noem je samen:
de persoonsvorm
het onderwerp
het werkwoordelijk gezegde
het naamwoordelijk gezegde
Wat is het werkwoordelijk gezegde:
Joris heeft gisteren een taart gemaakt.
heeft
heeft gemaakt
gemaakt
een taart
Wat is het werkwoordelijk gezegde:
Morgen ga ik fietsen naar de tandarts
ga fietsen
morgen
ga
fietsen
Wat is het werkwoordelijk gezegde:
Mijn buurjongen maakt zijn huiswerk voor zijn gitaarles.
gitaarles
Mijn buurjongen
huiswerk
maakt
Wat is het werkwoordelijk gezegde:
Jip is vanmorgen te laat uit bed gekomen.
is gekomen
te laat
uit bed
Jip
Wat is het werkwoordelijk gezegde:
Zij heeft een mooie dag gehad in de dierentuin.
in de dierentuin
gehad
een mooie dag
heeft gehad
Ik kan het werkwoordelijk gezegde vinden in een zin: