Oefentoets luisteren A2

Wat vindt Jamal het leukst aan zijn werk?

A

Hij helpt klanten met zware boodschappen.

B

Hij werkt samen met zijn vrienden.

C

Hij werkt alleen, zodat hij zich beter kan concentreren.

D

Hij probeert zo min mogelijk te doen.

1 / 20
next
Slide 1: Quiz
New lesson editorNederlandsISK

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Wat vindt Jamal het leukst aan zijn werk?

A

Hij helpt klanten met zware boodschappen.

B

Hij werkt samen met zijn vrienden.

C

Hij werkt alleen, zodat hij zich beter kan concentreren.

D

Hij probeert zo min mogelijk te doen.

Waarom moet Jamal soms vakken vullen?

A

Omdat hij dat beter vindt dan de kassa.

B

Omdat het dan rustiger is bij de kassa.

C

Omdat hij meerdere taken heeft.

D

Omdat zijn vrienden dat niet willen doen.

Wat vindt Jamal lastig tijdens drukke momenten?

A

De lange werkdagen.

B

Klanten die ongeduldig zijn.

C

De vele vakken die hij moet vullen.

D

Het omgaan met zijn leidinggevende.

Waarom is Jamal blij met zijn bijbaan?

A

Hij heeft veel vrije tijd.

B

Hij leert omgaan met mensen en verantwoordelijkheid.

C

Hij mag vaak eerder naar huis.

D

Hij krijgt extra veel pauzes.

Wat heeft de spreker geleerd?

A

Je hoeft minder te plannen.

B

Je hebt meer vrijheid en verantwoordelijkheid.

C

Je leert de stad sneller kennen.

D

Je hebt minder geld nodig.

Wat gebeurde er met de koffer?

A

Die was gestolen op het station.

B

Die werd pas later gebracht.

C

Die zat in het verkeerde hotel.

D

Die bleef achter in de trein.

Waarom noemt de speler de reis een leerzame ervaring?

A

Ze leerden Spaans spreken.

B

Ze leerden nieuwe mensen kennen.

C

Ze leerden omgaan met verantwoordelijkheid.

D

Ze leerden hoe je goedkoop op vakantie gaat.

Wat zegt de spreker over de sfeer in de groep?

A

Die bleef altijd goed.

B

Die werd steeds slechter.

C

Die was wisselend, afhankelijk van de samenwerking.

D

Die was vooral gespannen.

` Waarom besloot de spreker een week zonder social media te leven?

A

Zij wilde een schoolproject doen over digitale gezondheid.

B

Zij had geen internetbundel meer.

C

Haar ouders vroegen haar dat.

D

Zij wilde meer contact met vrienden.

Wat viel de spreker op tijdens de eerste dagen?

A

Zij voelde zich de hele tijd boos.

B

Zij kreeg meer berichten dan normaal.

C

Zij pakte zijn telefoon automatisch.

D

Zij voelde zich direct beter.

Wat deed de spreker in plaats van social media?

A

Zij keek veel series.

B

Zij maakte ruzie met zijn ouders.

C

Zij ging wandelen en lezen.

D

Zij werkte extra uren in de supermarkt.

Is haar gedrag anders na de pauze?

A

Zij gebruikt geen social media meer.

B

Zij is weer verslaafd geraakt.

C

Zij verwijderde al haar apps.

D

Zij gebruikt het nu met meer aandacht.

Waarom kon de eerste stage niet doorgaan?

A

Er waren interne problemen.

B

Het bedrijf geen failliet.

C

De stagebegeleider was ziek.

D

De spreker was te laat met aanmelden.

Wat dacht de spreker eerst van het boekhoudkantoor?

A

Dat het superleuk zou zijn.

B

Dat het een grote kans was.

C

Dat het saai en niet passend was.

D

Dat het teveel werk zou zijn?

Wat veranderde haar mening?

A

Het salaris was hoger dan verwacht.

B

Hij mocht veel thuiswerken.

C

Hij vond het leuker dan zijn vorige stage.

D

De begeleider was erg vriendelijk en behulpzaam.

Wat zegt de spreker over het effect van deze stage?

A

Zij denkt nu na over een toekomst in de administratie.

B

Hij is gestopt met school.

C

Hij wil alleen nog creatieve stages doen.

D

Hij wil nooit meer verrast worden.

Wat was de taak van de spreker tijdens het festival?

A

Zij hielp artiesten achter de schermen.

B

Zij verkocht eten en drinken.

C

Zij controleerde de toegang en beantwoordde vragen.

D

Zij deed het licht en geluid.

Waarom twijfelde de spreker eerst?

A

Zij had al andere plannen.

B

Zij dacht dat het druk en chaotisch zou zijn.

C

Zij kende niemand die ook ging.

D

Zij vond festivals saai.

Wat vond de spreker uiteindelijk van het werk?

A

Superleuk en zij kreeg er energie van.

B

Erg zwaar en vervelend.

C

Makkelijk en saai.

D

Slecht georganiseerd.

Wat zegt de spreker over vrijwilligerswerk.

A

Je leert vooral omgaan met ruzies.

B

Je krijgt er altijd een baan door.

C

Het helpt alleen andere mensen.

D

Je leert samenwerken en krijgt waardering.