Herhaling examenstof

Herhalingsles Proactief beveiligen
Examentraining -
Proactief beveiligen 
1 / 46
next
Slide 1: Slide
BeveiligingMBOStudiejaar 1,2

This lesson contains 46 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Herhalingsles Proactief beveiligen
Examentraining -
Proactief beveiligen 

Slide 1 - Slide

Herhalingsles Proactief beveiligen
De aanval

Slide 2 - Slide

Doel:  
  • Het begrip proactief beveiligen uitleggen
  • De verschillende soorten daders uitleggen
  • Uitleggen uit welke stappen de planningscyclus bestaat
  • Het begrip Social engineering uitleggen
  • Begrippen Cover en Coverstory uitleggen
Proactief Beveiligen

Slide 3 - Slide

Bij proactief beveiligen gaan we uit van verschillende dadergroepen. Door wie (welk instantie) zijn deze groepen opgesteld?
A
SOP
B
NAVI
C
INAV
D
KISS

Slide 4 - Quiz

Waar staan de letters NAVI voor?
A
Nationaal Adviescentrum Vitale Infrastructuur.
B
Nationaal Adviescentrum Vitale informatie.
C
Niet Afgeven van Informatie.
D
Navo Adviescentrum Vitale infrastructuur.

Slide 5 - Quiz

Wat is het doel van de NAVI?
A
Beschermen van de Nederlandse economie en defensie.
B
Het vastleggen van informatie over criminelen en terroristen.
C
De vijand in de gaten houden.
D
Beschermen tegen dreigingen door moedwillig menselijk handelen.

Slide 6 - Quiz

Wat valt NIET onder de vitale infrastructuur?
A
Telecommunicatie, Voedselvoorzieningen, Gezondheidszorg.
B
Drinkwatervoorzieningen, Chemische en nucleaire industrie,
C
Universiteiten en basisonderwijs.
D
Financiële infrastructuur.

Slide 7 - Quiz

Voorheen was de NAVI het adviescentrum voor vitale infrastructuur. Nu is dat tegenwoordig adviescentrum BVI. Waar staat BVI voor?
A
Bescherming Vitale Infrastructuur.
B
Bijzondere Verhoor Instantie.
C
Bescherming Vitale Informatie.
D
Bijzondere Vitale Infrastructuur.

Slide 8 - Quiz

Omdat sectoren van elkaar afhankelijk zijn, kan uitval of verstoring van een vitaal product of een vitale dienst leiden tot een domino effect.
A
Dat is zeker een risico.
B
Dat is onmogelijk, daar zorgt de overheid voor.

Slide 9 - Quiz

NAVI dadergroepen zijn: (kies één van de 2 juiste antwoorden).
A
gestoorde, crimineel, terrorist.
B
crimineel, medewerker, bezoeker, vandaal, hacker.
C
activist, terrorist, verward persoon.
D
inbreker, vandaal, graffiti artist, suïcidaal persoon.

Slide 10 - Quiz

Herhalingsles Proactief beveiligen
Criminele terroristische planningscyclus

Slide 11 - Slide

Het doel en de werkwijze verschilt per dadertype:
A
Ja
B
Nee

Slide 12 - Quiz

Stap 1 van de planningscyclus is het selecteren van het doel.
A
Ja
B
Nee

Slide 13 - Quiz

Stap 2 van de planningscyclus is verzamelen van informatie?
A
Ja
B
Nee

Slide 14 - Quiz

Stap 3 van de planningscyclus is surveilleren?
A
Ja
B
Nee

Slide 15 - Quiz

Stap 4 van de planningscyclus is de dry run?
A
Ja
B
Nee

Slide 16 - Quiz

Stap 7 van de planningscyclus is de dry run?
A
Ja
B
Nee

Slide 17 - Quiz

Stap 7 van de planningscyclus is de uitvoering?
A
Ja
B
Nee

Slide 18 - Quiz

Stap 8 van de planningscyclus is (levenslange) gevangenisstraf of een enkelband?
A
Ja
B
Nee

Slide 19 - Quiz

Herhalingsles Proactief beveiligen
Social engineering
&
Cover story

Slide 20 - Slide

Welke stelling klopt:
1: Social engineering is een manier van informatie verzamelen.
2. De verzamelde informatie helpt de dader om te kijken of het doel geschikt is.
A
Alleen stelling 1 is juist.
B
Alleen stelling 2 is juist.
C
Beide stellingen zijn juist.
D
Beide stellingen zijn onjuist.

Slide 21 - Quiz

Social engineering wordt uitgevoerd door het opwekken van nieuwsgierigheid, intimidatie, gebruik maken van standaardfoutjes of de neiging om behulpzaam te zijn.
A
Ja
B
Nee
C
.

Slide 22 - Quiz

Welke stelling over social engineering is juist?


A
Dit is makkelijk te voorkomen met goede beveiliging.
B
Dit gebeurd bij elk misdrijf.
C
Gebeurd in fase 1 van de criminele planningscyclus.
D
Het hacken van mensen om gevoelige informatie te krijgen.

Slide 23 - Quiz

Het begrip AMO staat voor:
A
Aanvallers Manier van Opereren.
B
Aanval Methode Opponent.
C
Aanvallers Methode van Operatie.
D
Aanval Memo Operator.

Slide 24 - Quiz

De Aanvallers Methode van Operatie (AMO) is een wijze van werken waarvan in de praktijk nooit bewezen is dat deze daadwerkelijk uitvoerbaar is.
A
Ja
B
Nee

Slide 25 - Quiz

Er zijn twee typen Aanvallers Methode van Operatie. De voorbereidende AMO's en uitvoerende AMO's.
A
Ja
B
Nee

Slide 26 - Quiz

Herhalingsles Proactief beveiligen
De Aanvallers Methode van Operatie (AMO) is een wijze van werken waarvan in de praktijk is bewezen dat deze daadwerkelijk uitvoerbaar is. De twee typen zijn voorbereidende AMO's en uitvoerende AMO's.

Slide 27 - Slide

Kies het meest juiste antwoord:
Het misleiden van iemand om dingen te doen die hij onder normale omstandigheden nooit zou doen voor een vreemde of een buitenstaander, met als gevolg schade voor die persoon of voor zijn werkgever.

A
Cover story
B
Social enigneering
C
Verzamelen van informatie
D
Het plannen van een misdrijf

Slide 28 - Quiz

Een cover is het zich in een andere functie/beroep/activiteit voordoen dan waar is, het is een dekmantel.
A
Ja.
B
Nee.

Slide 29 - Quiz

Social engineering kan zowel via de digitale weg worden toegepast (internet, sociale media, e-mails etc.) maar ook in real life door bijvoorbeeld met een nep uniform een enquête te houden.
A
Ja, dat is idd het misleiden van mensen.
B
Nee, dan is het geen social engineering, dat is gewoon criminaliteit.

Slide 30 - Quiz

Herhalingsles Proactief beveiligen
De Organisatie van de verdediging

Slide 31 - Slide

Voor de proactieve beveiliger is het belangrijk te weten: Wat bescherm je en hoe kan een tegenstander daar toegang toe krijgen.
A
Ja
B
Nee

Slide 32 - Quiz

Vier factoren die bijdragen tot een uitvoering. Of de dader zijn daad uitvoert hangt af van de volgende factoren. Het ‘willen’ (motivatie) wordt bepaald door:

A
1. aantrekkelijkheid van de buit 2. de straf; 3. het weer; 4. de middelen.
B
1. aantrekkelijkheid van de buit; 2. de slagingskans; 3. middelen; 4. kennis
C
1. de gelegenheid; 2. de aantrekkelijkheid van de buit; 3. de straf die erop staat; 4. de beschikbare informatie.
D
1. de gelegenheid; 2. de slagingskans; 3. middelen 4. kennis

Slide 33 - Quiz

Welke uitspraak past bij proactief beveiligen?
A
‘Voorkomen is beter dan genezen.’
B
‘Als het kalf verdronken is dempt men de put.’

Slide 34 - Quiz

Kennis over welke AMO is vooral belangrijk voor de proactieve beveiliger?
A
Voorbereidende AMO
B
Uitvoerende AMO

Slide 35 - Quiz

Om iets te kunnen voorkomen moet je weten wat iemand gaat doen.Wat gaat onze aanvaller(s) doen?
De gelegenheid maakt de dief. Maar soms is de buit zo aantrekkelijk dat men meer voorbereid aan het werk wil. De missie is zo belangrijk dat hij niet mag mislukken. Daarom gaat men gepland te werk. We gebruiken daarvoor de …..

A
NAVI dadergroepen.
B
De informatie van verschillende veiligheidsdiensten.
C
De criminele/terroristische planningscyclus.
D
Beveiligingscamera's en toezicht.

Slide 36 - Quiz

Welke stappen in de planningscyclus zijn het meest interessant bij proactief beveiligen?
A
2. Het verzamelen van informatie 3. Het surveilleren; 4. Het plannen van de aanval; 6. Oefenen/dry run.
B
2. Het verzamelen van informatie 3. Het surveilleren; 5. Het verzamelen van de middelen; 6. Oefenen/dry run
C
2. Het verzamelen van informatie 3. Het surveilleren; 5. Het plannen van de aanval; 7. De uitvoering.
D
2. Het verzamelen van informatie 3. Het surveilleren; 5. Het verzamelen van de middelen; 7. De uitvoering.

Slide 37 - Quiz

Herhalingsles Proactief beveiligen
Verdachte Indicatoren

Slide 38 - Slide

Verdachte indicatoren kunnen bestaan uit:
(Geef één van de twee juiste antwoorden).


A
Gedrag; Uiterlijk voorkomen (niet zijnde etnische afkomst); Bezittingen.
B
Gedrag, tijdstip en locatie.
C
Alleen het gedrag, hoe iemand eruit zien en het verhaal dat iemand verteld.
D
Het verhaal dat iemand vertelt; Documentatie; De situatie.

Slide 39 - Quiz


Een verdachte indicator is een zichtbaar aan de AMO te koppelen afwijking van de norm. Wat normaal is op het ene moment, de ene plaats of binnen een cultuur, kan op een ander tijdstip, plaats of binnen een andere cultuur, een verdachte indicator opleveren. Dus uitkijken naar ongewone situaties.

A
Deze stelling is juist.
B
Deze stelling is onjuist.

Slide 40 - Quiz

SOP staat voor:
A
Standaard Organisatie Protocol.
B
Strategisch Operationeel Plan.
C
Systematische Onderzoeksplanning.
D
Standaard Operationele Procedures.

Slide 41 - Quiz

Wat is het doel van een SOP?
A
Uniformiteit creëren in de uitvoering van de handeling en daardoor in het eindresultaat ervan.
B
Afschikken van criminelen/terroristen.
C
Service voor de klant vergroten.
D
Minder administratie creëren.

Slide 42 - Quiz

Welke stap hoort niet bij het dreigingsassessment?
A
Detecteren van de afwijking van de norm.
B
Beslissen of de afwijking gekoppeld kan worden aan een AMO.
C
Opstellen van een evacuatieplan.
D
Security questioning uitvoeren om een verklaring te vinden

Slide 43 - Quiz

Uit hoeveel stappen bestaat een Criminele/Terroristische Planningscyclus?
A
10
B
7
C
9
D
8

Slide 44 - Quiz

Iemand die vaak een zelfde soort strafbare feit pleegt heet een:
A
Activist
B
Recidivist
C
Logopedist
D
Socialist

Slide 45 - Quiz

Slide 46 - Slide